3, 1/2020

Een strijdvaardige Hélder Câmara op een affiche van Broederlijk Delen (1974), een solidariteitsbeweging die zestig jaar geleden mee werd opgericht door René Peeters.

Als ’s ochtends het volle zonlicht in mijn schrijfkamer binnenvalt, hoor ik rond tien uur mijn vader. Het is de grote metalen archiefkast, die ik van hem erfde. Telkens zegt die zachtjes: ‘Beng! Roept mijn vader mij? Nee, het is de zon die de metalen kastwand opwarmt en even doet ploffen.

In de kast zit oud papier van mijn vader, intussen al ruim twintig jaar overleden. Het moet eind jaren 1950, begin jaren 1960 zijn geweest. Dat is de periode dat mijn vader als voorzitter van MIJARC de wereld rondreisde, vooral in Afrika en Latijns-Amerika. In Rio leerde hij de bisschop van Recife kennen, omdat die ook proost was van de Katholieke Actie in Brazilië. Klein en mager, nerveus en verstrooid, zeer populair, zelfs charismatisch: Dom Hélder Câmara. Het was de tijd van het tweede Vaticaans concilie, Johannes XXIII, het lekenapostolaat…

Wij woonden in Werchter, in een groot huis. Vanzelf, zo lijkt het achteraf, vulde het huis zich met een kroostrijk gezin. Vijf jongetjes, waarvan ik de tweede ben. Ikzelf was nog klein, heb zelfs geen enkele herinnering (laat staan verdienste) aan wat nu volgt. Het was pas in het laatste levensjaar van mijn vader dat ik het volledige verhaal zelf hoorde. Mijn vader, kortademig door longemfyseem, noteerde dan volop zijn herinneringen.

Dom Hélder Câmara kwam eind jaren 1950 geregeld langs in het College voor Latijns-Amerika in Leuven. Liefst logeerde hij bij ons. Werchter was ook zijn uitvalsbasis om naar Misereor in Duitsland of Parijs te trekken. Mijn vader bood zich telkens aan als chauffeur van dienst.

Câmara hield van de huiselijkheid van het jonge gezin. Hij had dezelfde schoenmaat als mijn moeder (maat 38), schoot meteen in haar pantoffels, en legde zijn voeten op tafel. Mijn moeder was alweer zwanger. Mijn broer Jan, drie jaar, en ikzelf, een jaar, amuseerden de gast. De bisschop en ik converseerden. Ikzelf kon pas stappen en droeg de hele tijd porseleinen vaasjes doorheen de woonkamer. Als dat lukte, applaudisseerde ik voor mezelf. De bisschop klapte mee. Ik reed paardje op zijn knie, en hij besprak met mij de politieke situatie in Zuid-Amerika. In de kerk van Werchter deed Hélder Câmara ’s ochtends de mis. Zijn gouden kruis liet hij achterwege, hij verborg de bisschopsring en gebaarde dat hij alleen Portugees sprak. Hij werd niet herkend, al was hij toen al de rode bisschop, die radicaal opkwam voor de arme bevolking.

’s Morgens ontbeet hij bij ons. Spek in de pan, de boterham soppen in het gesmolten vet, en dan overvloedig in de bruine suiker. Hij had het nooit eerder gegeten. Het was het eerste wat hij mijn moeder vroeg als hij toekwam: ‘Vous avez encore du lard?’

Toen hij met dat kleine jongetje – ik dus – weer godsdienstkwesties besprak, toonde hij mij het bisschopskruis. Ik snokte aan de gouden ketting. Die brak op twee plaatsen. Er was paniek, mijn ouders schaamden zich diep, vooral omdat Câmara de dag erna een belangrijke ontmoeting had in Duitsland met Misereor en de Duitse regering.

Na enige overdenken zei de priester: ‘Finalement, à quoi est-ce que cela sert? A rien. C’est de l’or, mais c’est l’or des riches. Je ne dois pas porter cela.’

In die tijd schilderde en pyrograveerde mijn moeder als bijverdienste. Het waren decoratieve houten schotels maar ook kruisjes, met daarop opwekkende boodschappen, idyllische Kempische landschapjes. Daar alleen kan liefde wonen… Heer, zegen ons huisje en die er wonen… De morgenstond heeft goud in de mond… We hadden altijd een voorraad kleine houten kruisjes in huis. Formaat: gelijkbenig 15 op 15 cm, 5 cm breed. Mijn moeder draaide een oogvijsje erin, trok een dik wit koord erdoor. Kon dit het bisschopskruis vervangen?

In Duitsland werd Dom Hélder geïnterviewd door een journalist van General-Anzeiger. De journalist merkte meteen het wat potsierlijke houten kruis. De bisschop had zijn antwoord al klaar.

Enkele dagen later stond vooraan in de krant, met een titel op de volle breedte: ‘Rode bisschop van Brazilië ruilt gouden voor houten kruis.’ En ook: ‘Câmara legt opnieuw gelofte van armoede af.’ Mijn vader liet de ketting nog herstellen door een horlogemaker en zou deze later afgeven in het Zuid-Amerikaans College. Câmara was al terug in Brazilië. Hij had zich intussen al een eleganter houten kruis laten maken.

Nooit droeg de rode bisschop nog een gouden kruis.

Een zoete herinnering, dit verhaal, dat niet eens van mezelf is. Ooit was ik katholiek, maar in de puberteit viel dat van mij af als een jas die op een dag niet meer past. Ik hou niet van de kille kloosterinterieurs, de neogotiek en reageer kribbig, zelfs agressief op de kwezelarij, het star conservatisme over vrouwen en homoseksualiteit, en natuurlijk de verhalen over misbruik en kerkelijke macht. En toch herinner ik me levendig de erfenis van mijn ouders. Dat zogenaamd rijke Roomse leven met de kleffe nestwarmte van de verzuiling, de badinerende omgang van geestelijken, het humanisme, charmante bijbelverhalen en -metaforen, het zachtaardige ooit-komt-alles-goed van Teilhard de Chardin én de moedige bevrijdingstheologen. Dat stapeltje oud papier in mijn kast.

Beng!

Schrijver Koen Peeters is de zoon van René (of Renaat) Peeters (1925-1999). René Peeters was onder andere voorzitter van de BJB / Boerenjeugdbond (1952-1964), nationaal voorzitter van het Jeugdverbond voor Katholieke Actie (1957-1963) en internationaal voorzitter van MIJARC / Mouvement Internationale de la Jeunesse Agricole et Rurale Catholique (1958-1964). Zijn herinneringen verschenen als Sterren achter wolken (Halewijn, 2000).