12, 2/2025

Tot de Tweede Wereldoorlog was de Katholieke Universiteit Leuven vrijwel de enige Belgische universiteit die rechtstreeks activiteiten in Belgisch-Congo ontwikkelde. Het in 1932 opgerichte Centres Agronomiques de l’Université de Louvain au Congo (CADULAC) had zelfs een monopolie op het koloniale landbouwkundige onderwijs. De organisatie, die viel onder het bestuur van de Association universitaire catholique pour l’aide aux missions (vooral bekend als AUCAM) en waarin tal van Leuvense hoogleraren zetelden, kreeg een uitvalsbasis toegewezen in Kisantu, een stad en missiepost even ten zuiden van Leopoldstad (Kinshasa). Een samenwerkingsverband van Leuvense wetenschappers, jezuïetenpaters en broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes ambieerde er om via landbouwonderwijs de ‘fysieke en morele toestand’ van de Congolese bevolking te verbeteren. De broeders en de CADULAC-agronomen verschilden echter geregeld van mening over de opleidingsmogelijkheid van hun Congolese leerlingen.

Bezoek van de leerlingen van de École moyenne d’agriculture aan de proeftuin van CADULAC, met vooraan Lode De Wilde en broeder Lacops (1934).

De samenwerking tussen CADULAC en de missie in Kisantu, die sinds haar stichting door de jezuïeten in 1893 was uitgegroeid tot een bolwerk van de katholieke missionering in de kolonie, was een logische maar ook een pragmatische beslissing. De twee partijen waren overtuigd van het belang van de inplanting van de katholieke kerk in Congo. CADULAC beschikte over beperkte financiële middelen en had nauwelijks kennis over het koloniale leven en onderwijs en was daarom afhankelijk van de materiële ondersteuning door en infrastructuur van de missie. Ook voor de jezuïeten was de samenwerking interessant: de universitaire expertise kon worden gebruikt om het onderwijsniveau in de missie op te krikken en gaf bovendien prestige aan de missie in Kisantu en aan de orde in het algemeen.

De jezuïeten beschikten in Kisantu behalve over een lagere school vanaf 1933 ook over een middelbare landbouwschool, de École moyenne d’agriculture (EMA). Het doel van die onderwijsinstelling was om de beste leerlingen die uit het lager onderwijs voortvloeiden te vormen tot agronomen die, volgens een brief van een missionaris, vervolgens aan de slag konden ‘in openbare en private instellingen, ter vervanging van de witte ondergeschikte personeelsleden’. Ze moesten ook opgeleid worden om propaganda te voeren binnen lokale gemeenschappen, om daar ‘de landbouw uit te breiden, de werkwijzen te verbeteren en betere culturen in te brengen’. Die visie illustreert uitstekend de verwevenheid tussen de missie, de EMA en CADULAC met het koloniale bestuur. De nieuwe Belgische koloniale landbouwpolitiek was er immers op gericht de opbrengsten uit de kolonie te verhogen. Zo moest er voortaan volop en volgens wetenschappelijke principes worden ingezet op de teelt van winstgevende exportgewassen (cash crops), zowel op plantages als bij particuliere landbouwers. De EMA moet dan ook gezien worden in de context van dat herziene agriculturele beleid: de instelling experimenteerde in de opleiding met ‘Europese’ en winstgevende landbouwgewassen zoals aardappelen, rijst en maïs, en met Europese landbouwtechnieken, waaronder zelfs het gebruik van geïmporteerde Europese mest.

In de school kregen alle betrokken partijen een rol. De jezuïeten stonden in voor het moreel en religieus onderwijs, de missiebroeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes van Oostakker verzorgden het eigenlijke landbouwonderricht en het algemeen onderwijs, terwijl de ingenieur van CADULAC de ‘technische leiding’ over het landbouwonderwijs op zich nam. In de realiteit vloeiden die taken echter geregeld in elkaar over, wat vanaf het begin aanleiding gaf tot bevoegdheidsconflicten tussen CADULAC en de broeders, waarbij de laatsten vreesden hun greep op de school te verliezen. De situatie in Kisantu entte zich daarmee op de traditionele breuklijn in de Belgische geschiedenis tussen religieuzen en seculieren en hun onderlinge strijd voor macht over het onderwijs. De katholieke missies hadden in Belgisch-Congo een monopolie op het onderwijs en wensten dat tegen elke prijs te behouden. De landbouwschool in Kisantu moest volgens de broeder-overste in België zelfs ‘het pronkstuk van de missie’ worden. Inmenging van seculiere organisaties zoals CADULAC werd dan ook niet zonder meer geapprecieerd.

Financiële spanningen, werkoverlast en de moeizame communicatie tussen de kolonie en België stonden aan de basis van de conflicten die zich voordeden tussen de broeders en CADULAC. Maar ook de verschillende opvattingen ten opzichte van de capaciteiten van de Congolese leerlingen speelden een rol in de gespannen sfeer in Kisantu. De briefwisseling tussen de broeders in Kisantu en hun broeder-overste in Oostakker geven een inkijk in die ontwikkelingen. Met name broeder Lacops (Victor Roels, 1890-1947), een leidende figuur binnen de landbouwschool en door CADULAC-bestuurders geprezen voor zijn landbouwkundige kennis, raakte steeds meer verwikkeld in een conflict met de CADULAC-agronoom Lode De Wilde (1905-1990).

Leerlingen van de École moyenne d’agriculture in Kisantu (1934-1935).

Leerlingen van de École moyenne d’agriculture in Kisantu (1934-1935).

Adaptatie versus assimilatie

De verschillende ideologische posities van de broeders en agronomen kunnen deels verklaard worden vanuit de wijze waarop ze zich verhielden tot ideeën en debatten over ‘adaptatie’ en ‘assimilatie’ zoals die in de Belgische koloniale context vorm kregen. Het gedachtegoed over adaptatie vond zijn oorsprong in het sociaal darwinisme. Vanwege de zogenaamd inherente biologische ‘inferioriteit’ van de Congolese bevolking achtten aanhangers het onmogelijk en nutteloos om Congolese leerlingen een ‘moderne’ (en dus westerse) opleiding te geven. Het onderwijs in de kolonie moest zich daarom focussen op elementair, praktisch onderricht in de lokale, Congolese taal. Tot omstreeks 1930 domineerde die houding het debat over het Belgisch koloniaal onderwijs. Daarna verschoof het zwaartepunt in de discussie naar vormen van assimilatie. Verdedigers van die zienswijze geloofden in de verlichte idee dat de Congolese bevolking ‘beschaafd’ kon worden middels een opvoeding en opleiding naar westers model. Hierbij werd niet uitgesloten dat de gekoloniseerde bevolking het (intellectuele) niveau van de kolonisator kon evenaren, op voorwaarde dat de westerse cultuur, gebruiken en gewoonten volledig werden toegeëigend en alle ‘traditionele Afrikaanse’ leefgewoontes achterwege werden gelaten. In de realiteit bleek het geloof in de superioriteit van de witte kolonisator echter hardnekkiger dan de idee van een mogelijke gelijkheid. Hoe dan ook resulteerden die verschillende benaderingen van de beschavingsmissie onder Belgische koloniale actoren in uiteenlopende visies op en praktijken binnen het koloniale onderwijs.

In de bewaarde briefwisseling tussen de broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes in Kisantu en hun moederhuis in Oostakker tekent zich een duidelijk patroon af. Terwijl het schrijven van de broeders een adaptionistische houding weerspiegelt, lijken de CADULAC-medewerkers eerder exponenten van de opkomende assimilationistische tendens. Dat blijkt reeds uit de vroegste brieven. Bij een bezoek aan de missie in Kisantu in maart 1933 klaagt de broeder-overste uit Oostakker dat de ‘officiële mannen’ zich te formeel opstellen. Ze zouden er beter aan doen om ‘mee te leven met de lokale bevolking’. In diezelfde brief wordt, weliswaar op een typerende paternalistische manier, ook appreciatie geuit voor de lokale bevolking en hun taal. Hieruit blijkt een superioriteitsgevoel van de missionarissen, maar ook een interesse voor de lokale bevolking, beide kenmerken van een adaptationistische attitude. Dat sentiment valt ook te merken in een brief van broeder Lacops uit oktober 1933. Daarin complimenteert hij bijvoorbeeld de aandachtige houding van de leerlingen tijdens zijn lessen, een gedrag dat hij in Europa niet meer denkbaar acht. Die waardering gaat echter hand in hand met neerbuigende racistische vooroordelen, uitgedrukt in opmerkingen als ‘maar ze hebben gezien hoe wij het doen en ze doen het na’ en ‘ze doen het goed, maar ze zijn wel traag van natuur’.

De relaties in de missie verlopen tot 1934 over het algemeen goed: de school heeft succes en ontvangt felicitaties van het ministerie van Koloniën. De enkele conflicten tussen de broeders en CADULAC kwamen vooral voort uit verwarring en frustratie over de onduidelijke taakverdeling, maar bleven al bij al kleinschalig. Lacops schrijft in die periode met lof over Lode De Wilde, die een uitstekend christen zou zijn en ‘zeer goed sticht bij de zwarten, wat het doel is van de blanken in Congo’. De gedeelde katholieke identiteit en katholieke zienswijze op het koloniale project verenigden de broeders en CADULAC, hoewel ook enige weerstand te merken valt bij de broeders over hoe zij als geestelijken moeten samenwerken met de leken-ingenieurs. Ook over de onderwijstaal van de EMA heerste er duidelijk onenigheid. De koloniale overheid en CADULAC gaven de voorkeur aan het Frans, om zo de afgestudeerden uiteindelijk in het koloniale apparaat in te schakelen, maar sommige broeders verkozen onderwijs in ‘de inheemse taal’. Ook Giovanni Dellepiane, de apostolische afgevaardigde van het Vaticaan in de kolonie, was een voorstander van Franstalig onderricht in functie van de inschakeling van afgestudeerde leerlingen in het koloniale bestel, om zo tegemoet te komen aan de arbeidstekorten als gevolg van de crisis tijdens de jaren 1930. In Kisantu botste de assimilationistische visie van de koloniale en kerkelijke overheid echter met de adaptionistische visie van de broeders-onderwijzers.

Leerlingen van de École moyenne d’agriculture aan het werk.

Conflicten

Begin 1935 werden de discussies in Kisantu tussen CADULAC en de broeders heviger, vooral vanwege bevoegdheidsconflicten. Volgens broeder Lacops waren de apostolisch vicaris van Kisantu, Alphonse Verwimp, en het CADULAC-bestuur voortdurend met elkaar in conflict, wat ook het werk van de broeders negatief beïnvloedde. Dé grote stoorzender van ‘zijn’ EMA was in de ogen van Lacops niet zozeer Lode De Wilde, maar vooral het CADULAC-bestuur in Leuven. De Wilde liet zich weliswaar ‘soms grof’ uit, maar alleen maar omdat hij instructies vanuit Leuven opvolgde. In de loop van het jaar namen de spanningen tussen broeder Lacops en De Wilde én tussen CADULAC en de broeders in het algemeen echter toe. Lacops bekritiseerde De Wildes ‘cursussen’ aan de EMA, die minder uitgebreid waren dan de lessen die door de broeders werden gegeven en die blijk gaven van een gebrek aan ‘voeling met en aanpassing naar de leerlingen’.

In november 1935 verklaarde broeder Lacops de toestand in Kisantu zelfs ‘onhoudbaar’. Hij vreesde dat CADULAC het gezag van de broeders in de EMA zou ondermijnen en hen uiteindelijk uit de school zou verdringen. Die angst voor het verliezen van grip op de school veroorzaakte nervositeit bij de broeders. Vooral Lacops sprak zich uit en beschuldigde CADULAC ervan aan ‘indringerij en onderkruiperij’ te doen. Hij laakte de wijze waarop het zich de successen van de landbouwschool toe-eigende en het naar de buitenwereld presenteerde als ‘hun’ onderwijsinstelling. De broeders weigerden te gehoorzamen aan ‘een leek-ingenieur’ en verklaarden enkel verantwoording te moeten afleggen aan Alphonse Verwimp als de bisschop van Kisantu. De Wilde zou zijn functie van ‘technisch leidinggevende’ misbruiken: ‘De Wilde verklaart de baas te zijn, en zegt dat wij naar hem moeten luisteren.’ Zoals eerder aangegeven zijn er aanwijzingen dat het conflict van eind 1935 ook dieperliggende wortels had. Zo schreef broeder Lacops, in een van zijn vele lange brieven, hoe ‘wij [de broeders] volledig ten dienste staan van CADULAC, die ons slechter behandelt dan de zwarte moniteurs’. Dat Lacops ook melding maakte van de, in zijn ogen, al te persoonlijke band tussen De Wilde en de leerlingen en dat hij rapporteerde dat de agronoom ‘hen bij zich thuis roept en hen voortdurend cadeaus belooft en geeft’, versterken dat vermoeden.

Studenten, docenten en de directeur van CADULAC voor het eigen gebouw (1938).

In de hoop de spanningen in Kisantu te milderen, onderhandelden de missie en CADULAC aan het begin van 1936 een nieuw schoolreglement. Al snel gingen geruchten de ronde dat De Wilde alle landbouwlessen zou geven en dat er in Kisantu een instelling van hoger landbouwonderwijs op universitair niveau zou worden ingericht. Volgens broeder Lacops ‘raast De Wilde de leerlingen op over hoger onderwijs’. Het idee dat er een hoger landbouwonderwijs zou komen, was volgens hem echter onrealistisch. Lacops verklaarde ‘luidop en aan al wie het wil horen […] dat de ontwerpers van de akkoorden niets weten over het onderwijs aan de zwarten en nog het minst over de gemoedstoestanden van een inlander’. Hij was er stellig van overtuigd dat hoger onderwijs voor de Congolezen ‘onmogelijk is omdat zelfs de beste leerlingen in de verste verte onbekwaam zijn om dergelijk onderwijs te volgen’.

In een poging om de gemoederen in Kisantu te bedaren, vond in 1936 een reorganisatie van de EMA plaats. Er werd een nieuwe school opgericht waarin CADULAC-medewerkers hoger landbouwonderwijs gaven aan de afgestudeerde leerlingen van de EMA. De broeders kregen daarin een plaats als onderwijzers, maar werden steeds minder betrokken bij het beleid van de school. Naast de EMA, die het bezit van de missie bleef, kwam er een nieuwe instelling van hoger landbouwonderwijs, de École superieure d’agriculture. Die school viel onder CADULAC en werd rechtstreeks bestuurd vanuit de Leuvense universiteit. Broeder Lacops protesteerde uiteraard met al zijn macht tegen de hervorming en noemde De Wilde ‘een dictator’ en CADULAC ‘een tirannie’. Het hardnekkige verzet van de broeder keerde zich echter tegen hem wanneer steeds meer partijen, onder wie zelfs de medebroeders, pleitten voor het wegzenden van Lacops. Dat gebeurde uiteindelijk in juli 1936, toen hij werd teruggeroepen vanwege ‘gezondheidsredenen’. Na het wegzenden van de weerspannige broeder leek het conflict in Kisantu tussen de broeders en CADULAC te bekoelen. Broeders schreven naar Oostakker om te melden dat de landbouwschool veel succes had en dat de samenwerking met CADULAC goed verliep.

De spanningen over de verschillende zienswijzen op de uitbouw van het koloniale landbouwonderwijs was van bij de stichting van de EMA en de samenwerking met CADULAC en de broeders aanwezig. In een tijdspanne van nauwelijks twee jaar ontaarden discussies evenwel in regelrechte conflicten. Uiteindelijk bleek die situatie, ook na de verplaatsing van Lacops, onhoudbaar en resulteerde ze in het vertrek van de broeders uit Kisantu in 1949 en de staking van de activiteiten van CADULAC in het midden van de jaren 1950.

Juliette Van der Hauwaert studeert geschiedenis aan de Universiteit Gent.