10, maart 2023

Een van de meest gebruikte metaforen als het over ‘vrijheid’ gaat, is die van de vogel. De vogel die vliegt waarheen hij wil, zo vrij … als een vogel. Maar is dat wel zo? Hoe vrij vliegen vogels eigenlijk? En hoe zit dat met de beelden en symbolen die we gebruiken als we het over ‘onvrijheid’ hebben? Willy Martin zoekt antwoorden in treffende poëzie.

Foto Jeannine Burny. Stchting Maurice Carême
Maurice Carême. (Foto: Jeannine Burny. Stichting Maurice Carême.)

Als hij voor ’t eerst de vogel ving,
Sneed hij zijn beide vleugels af.
Nog hoger vloog de vogel.

Als hij weerom de vogel ving,
Sneed hij zijn beide poten af.
De vogel gleed als een scheepje verder.

Woedend, sneed hij daarna zijn snavel af.
Zo zuiver als een harp zong dan
De vogel met zijn hart.

Toen hakte hij zijn kop eraf.
Uit elke druppel bloed die droop,
Sproot een nog schoner vogel voort.

(Maurice Carême, L’oiseau. Vertaling Willy Martin.)

De vogel

In het gedicht L’oiseau van Maurice Carême (in vertaling De vogel) wordt de vogel als een prototypisch vrijheidssymbool opgevoerd. Eerst wordt gepoogd hem van zijn meest kenmerkende en t.a.v. de mens meest distinctieve eigenschap, het vliegen, te beroven.

Als hij voor 't eerst de vogel ving
Sneed hij zijn beide vleugels af.

Blijkt dat niet het beoogde resultaat op te leveren, dan wordt vervolgens geprobeerd zijn bewegingsvrijheid tout court te beknotten.

Als hij weerom de vogel ving,
Sneed hij zijn beide poten af.


Als ook dat niet helpt, gaat het verder, in crescendo: hij wordt het zwijgen opgelegd, ‘monddood’ gemaakt.

Woedend, sneed hij daarna zijn snavel af.

Om ten slotte helemaal doodgemaakt, vernietigd, te worden.

Toen hakte hij zijn kop eraf.

Dit gedicht is eigenlijk atypisch voor Carême, die in de eerste plaats een natuurdichter is, een wandelaar-dichter, die zich zelden maatschappelijk bewogen uitdrukt. L’oiseau vormt de uitzondering op de regel: het is een schoolvoorbeeld van een aanklacht tegen brutaal en dictatoriaal optreden met totale vrijheidsberoving tot gevolg. Het mooie van het gedicht zit hem niet alleen in klank, ritme en rijm, maar ook in de compositie, in het gebruik van paradoxen, almaar sterkere tegenstellingen. Worden van de vogel zijn vleugels gekortwiekt, hij vliegt nog hoger. Snijdt men zijn poten af, hij beweegt nog sierlijker, hij glijdt als een scheepje verder. Wordt hem zijn stem ontnomen, dan zingt hij nog zuiverder, met zijn hart. En als de totale vernietiging volgt, dan verrijst hij nog schoner en in duizendvoud
Kortom, Carêmes gedicht is een ode aan de vrijheidsdrang die, hoezeer ook onderdrukt en bedreigd, niet uit te roeien valt.

Bijna nooit

Bijna nooit zie je een vogel in de lucht
zich bedenken, zwenken, terug.


(Judith Herzberg, Doen en laten)

Ik ken weinig gedichten die zo kort en zo krachtig het klassieke, stereotiepe beeld dat we van vogels hebben, doorbreekt. Natuurlijk zie je vogels wel eens zwenken, maar wat drijft ze daartoe? Kunnen ze zich bedenken, twijfelen, aarzelen en op hun stappen terugkeren? Ze hebben zeker wel een instinct dat hen stuurt, feilloos zelfs (denk aan duiven die naar hun hok keren of trekvogels in de herfst), maar, in tegenstelling tot ons mensen, kunnen ze hierover niet nadenken. Naast de inhoud is ook de vorm verrassend: de eerste versregel bijvoorbeeld zet de lezer op het verkeerde been. Hoezo bijna nooit zie je een vogel in de lucht? Tot hij het enjambement ziet en begrijpt welke rol het kan spelen in een gedicht. Een gedicht dat in al zijn beknoptheid, de metafoor van de vogel als vrijheidssymbool relativeert, nuanceert, ons tot nieuw inzicht brengt. 

Kooitje

De vrijheid kan ook op een minder brutale wijze beknot worden dan in het eerste gedicht het geval was. Cees Buddingh laat dit zien op een geestige, schijnbaar luchtige manier door middel van de kooi-metafoor. De kooi als probaat middel om iemand van zijn/haar vrijheid te beroven. De gekooide vogel als de tegenpool van de vrije.

Kooitje
mooi is een kooitje
met een kanarie erin
heel mooi ook een kooitje
met een parkiet erin
met een merel erin, met een kolibrie erin,
met een slavink erin, een bos wortelen erin,
blokjes marmer erin, een glas water erin
maar het mooist is eigenlijk
een kooitje met niets erin.


(Cees Buddingh, 128 vel schrijfpapier, 1967.)

vogels in kooitjes

Het gedicht lijkt wel geschreven voor kinderen, zo eenvoudig is het. Steeds worden dezelfde woorden en patronen herhaald:  ‘mooi(-st’), ‘kooi(tje)’, ‘met … erin’. Het zou haast kunnen dienen als een voorbeeld van hoe je kinderen iets uitlegt, van hoe je ze duidelijk maakt wat een kooitje is, wat het betekent. Bij een woord als ‘kooi’ kan dat door te verwijzen naar zijn functie, naar waar hij toe dient. Met een duur woord: ‘kooitje’ kan functomonisch gedefinieerd worden. Het dient om er iets in op te sluiten, bij voorkeur een dier, bij voorkeur een vogel, bij voorkeur een kanarie of parkiet. Maar lang duurt het niet of Buddingh doorbreekt het verwachtingspatroon. Niet alleen minder gebruikelijke ‘huis’-vogels (merel), of vogels die alleen maar vogels lijken (slavink) worden gekooid, maar ook niet bewegende  ‘objecten’ (wortelen, marmer, een glas water). Hierdoor heeft het kooitje in wezen geen functie meer. En, zo besluit Buddingh, als het kooitje eigenlijk geen kooitje meer is, als het zijn oorspronkelijke functie verloren heeft, niets of niemand meer vasthoudt, het wegvliegen niet langer belet, juist dan is het het mooist.    

Coda

Als poëzie een manier van kijken is, dan spelen beelden daarbij ongetwijfeld een belangrijke rol. In de geciteerde gedichten is dat niet anders. Wat niet betekent dat een ‘oud’ beeld per se ‘versleten’ is, noch dat er veel beelden nodig zijn voor een ‘beeld-rijk’ gedicht. En verder mag een gedicht best kort zijn, want, waarover het ook gaat, vaak zegt één beeld meer dan duizend woorden.
 

Willy Martin (afdeling Waals-Brabant) is emeritus hoogleraar lexicologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Naast taalwetenschapper is hij dichter en vertaalt en schrijft hij ook over poëzie. Voor zijn taalwetenschappelijk werk kreeg hij de eerste Simon Stevin-penning. Recente voorbeelden van zijn literair werk zijn o.a. te vinden in tijdschriften als Ambrozijn en Hollands Maandblad. Martin is hoofdredacteur van Noord & Zuid.

 

 Meer lezen over vrijheid?