In ‘Eerste liefde’ vragen we theatermakers naar het kunstwerk waarmee het voor hen allemaal begon. Nederlands theatermaker en beeldend kunstenaar Dries Verhoeven kiest The Massacre at Paris (2001), een voorstelling van Toneelgroep Amsterdam waarbij Verhoeven stage liep.

Ik groeide op met de geur van olieverf en terpentine, mijn moeder was kunstenaar. En toch duurde het lang tot bij mij de vonk oversloeg. Ik heb even moeten graven om mijn eerste liefde op te duikelen, en met lichte weerzin moet ik zeggen, want ik had liever een onbeduidende schoolmusical of een gevonden fossiel gekozen. Jan Versweyveld en Ivo van Hove zijn wel genoeg bewierookt, en het was – met de kennis van nu – ook een dubieuze hartstocht, maar ik ontkom er niet aan. Mijn eerste liefde ontstond tijdens mijn stageperiode bij The massacre at Paris, hun openingsvoorstelling bij Toneelgroep Amsterdam. Het was 2001, ik was 24 jaar, een laatbloeier dus.

De overname van het gezelschap moest en zou gebeuren met een knaller van een werk, Ivo ging er met gestrekt been in. Hij koos voor een onvoltooide tekst van Christopher Marlow, die hij benaderde als het partituur van een requiem. Het werk manifesteerde zich als een theatrale installatie waarin een centrale plek was weggelegd voor een aantal grote bronzen kerkklokken, die zouden moeten klinken als een carillon (beiaard, red.).

foto
Foto: Herman Sorgeloos.

De spelers, gewend om met veel eigen inbreng te spelen in de toneelstukken van Gerard Jan Reijnders, zaten klem in de onhandelbare kostuums van Walter van Beirendonck en in grote glimmende bollen op het toneel. Voor Jan was het van groot belang dat ook de onzichtbare achterkanten van die bollen hoogglanzend zouden worden geschilderd. De mannen van het decoratelier vonden het maar raar en maakten een grapje, Jan begon te stampvoeten. Ik vond het grandioos hoe een ontwerper (of beter dus: kunstenaar) iets schijnbaar nutteloos zoveel belang kon toedichten. Niets maakte hem zo furieus als het woord ‘decor’.

Soms had ik het gevoel naar de nieuwe kleren van de keizer te kijken, maar wat wist ik op die leeftijd nou helemaal (?), wie weet was dit het opus magnum van het postdramatisch theater en dus schreef ik notieblokjes vol met mijn bevindingen. ‘Het theaterwerk was onverschillig naar haar publiek’, schreef ik, ‘zoals een schilderij dat doet in een museum. Het publiek wordt niet behaagd, het werk is niet aan het smeken, er is geen plek voor geschmier. Kijkers worden getolereerd.’ Het heeft mijn eigen werken geïnspireerd en misschien zelfs de zet gegeven om kunstenaar te worden. Door The Massacre at Paris durfde ik compromisloos te zijn en te benoemen dat de atmosfeer de belangrijkste betekenisdrager kan zijn, soms meer dan tekst en spel. De egoloosheid, het lege spelen dat ik bij performers aanmoedig, heeft ook zijn oorsprong in die tijd.

foto
Foto: Herman Sorgeloos.

Wat het werk in het bakje ‘liefde’ deed belanden was de stoïcijnse weigering van het koppel om de slechte ontvangst ervan te duiden. Critici vonden de creatie maar zielloos. De akoestiek van de stadsschouwburg was niet uitgerust op de kerkklokken, die klonken bonkig en onvriendelijk, de frivoliteit van een carillon was ver te zoeken, zoals die bij Jan en Ivo in die begintijd ook niet voor het oprapen lag. De kritiek werd weggewuifd.

Door The massacre at Paris durfde ik compromisloos te zijn en te benoemen dat de atmosfeer de belangrijkste betekenisdrager kan zijn, soms meer dan tekst en spel.

Voor de eerste keer in mijn leven realiseerde ik me de waarde van het Oost-Indisch doof zijn. De kracht van een werk, van een mogelijk nieuwe theatertaal, bewijst zich soms pas in retrospect; als je een nieuw pad aan het onderzoeken bent moet je dus weten voor welke stemmen je de deur dichthoudt. Voor mij, Nederlander gewend aan het eeuwige compromis, was het een inzicht van jewelste. Vanaf het derde balkon keek ik gniffelend omlaag, naar de Amsterdammers die zaten te staren als kippen naar het onweer. Ik waande me in de buurt van de Avant-Garde, en koesterde de wens dat het koppel nog jaren door zou gaan met dit soort enigmatische lichtelijk arrogante installatiewerken.

Ik heb er veel aan gehad, op momenten dat ik zelf werd bekritiseerd, én ik heb me erdoor laten bedwelmen (zoals dat gebeurt bij kalverliefdes). Hoogmoed heeft me ook wel eens parten gespeeld, en dat heeft ook zijn oorsprong in die tijd. Inmiddels zijn we denk ik allemaal wat zachter geworden. Nooit trouwen met je eerste liefde, zeg ik.