Meestal als ik een artikel schrijf wordt het geredigeerd en jullie lezen een afgelikte, opgesmukte versie van mijn onaffe taal. Jullie lezen een versie van mijn taal die misschien een beetje van de NT2-nuances eigen aan mijn Angelsaksische Nederlands nog overhoudt, maar eigenlijk de waarheid verraadt. Het voelt toch altijd een beetje oneerlijk van mijn kant uit. Mensen die me horen spreken in het Nederlands verschieten soms als ze mijn schrijftaal zien. De waarheid is dat, hoewel het Nederlands – met mijn specifieke taalachtergrond – niet zo’n moeilijke taal was om te leren, de geschreven taal blijft tot vandaag een uitdaging.
In de geest van dit rekto:verso nummer, ONAF, zal je gedurende de komende 2204 woorden mijn Nederlands lezen, ongeredigeerd door een Nederlandstalige. Het zal misschien botsen, maar hoewel dit stuk niet over taal gaat – dat is ook het onaffe.
Ik ben op weg terug naar België, na wat voor mij voelde als een heel geslaagde work-in-progress toonmoment. Een reis van Australië naar België is een epische onderneming, het duurt tussen twintig en veertig uur, en brengt veel momenten van twijfel met zich mee, naast de geografische en voertuigelijke veranderingen. Wat ik altijd onderschat heb, is wat het aan mijn lichaam doet.
Dit is eigenlijk het tweede voor-mij-geslaagde work-in-progress dat ik dit jaar heb getoond (vanaf nu: wip, al ben ik bewust van de dubbele betekenis). Mijn eerste wips waren triestige, traumatische ervaringen. Ik probeerde altijd te veel te tonen, ik gebruikte licht, muziek en een montage die de illusie gaven dat het af was. Ik toonde alles, behalve het proces.
Het moment dat ik leerde om transparantie te tonen bij wips voelt nu, als ik terugblik, als een wezenlijke ontdekking. Intussen, tien jaar later, is het alsof mijn werk helemaal rond het onaffe bestaat, zowel inhoudelijk als productioneel.
Ik werk al jaren samen met niet-professionele performers. Die praktijk begon door samen te werken met voetballers op de scène, maar langzaam heeft dat zich uitgebreidt naar mede-taalleerlingen. In de laatste jaren graviteerde mijn aandacht steeds meer richting deze talige onderzoeken. In deze voorstellingen zoek ik een grens tussen performance en les. Ik probeer de ondergewardeerde kwaliteiten van iemand die de taal aan het leren is – slechte uitspraak, foute zinsconstructie, en struikelen en stotteren – te koesteren.
Ik toonde alles, behalve het proces.
Maar misschien moeten we het eerst over deze onaffe terminologie hebben die voor mij te kort schiet: ‘niet- professionelen’. De mensen met wie ik werk hebben weliswaar geen vijf jaar op de kunstacademie, theater- of dansschool gezeten. Niettemin, in het geval van voetballers, hebben ze talloze uren getraind, talloze uren naar wedstrijden gekeken, onbewust aan het leren hoe ze voor een publiek moeten staan. Insgelijk, de training die elke taalleerling ondergaat voor de performance – die ontstaat bij elk gesprek op een bureaucratische instelling of zelfs dagdagelijkse interactie zoals in de winkel – is enorm. Werken in het kunstenveld is weliswaar niet hun beroep. Maar ze zijn allesbehalve niet-professioneel.
Door mijn taal-leeronderzoek kan ik misschien beter de woorden vinden om mijn praktijk met niet-klassiek-opgeleide performers van de jaren daarvoor en al die gefaalde wips te beschrijven en begrijpen. Misschien heb ik in die jaren – bewust van het feit dat ik met zogenaamde niet-professionelen iets aan het maken was – te hard geprobeerd om te doen alsof we wel professioneel waren.
Mijn vliegtuig maakt een brief stopover in Perth. In Perth heb ik voor het eerst de code gekraakt en een goed wip getoond. Daar, niet zo lang na nog een heel slechte wip in de Monty te Antwerpen, ging ik echt back to basics. Ik toonde vier stukken materiaal, onderbroken door een beetje uitleg, zonder muziek, onder huislichten. Wat ik me herinner aan die eerste geslaagde wip, was dat het de ruimte gaf om in te beelden. Dat er geen illusie was van iets afs. Dat de ene dit zei en de andere dat, dat een andere me aanbeval om What I think about when I think about running van Haruki Murakami te lezen. Maar vooral dat mensen voelden alsof ze van iets deel uitmaakten.
Al is de overwegend meerderheid van mijn werk samen met niet-klassiek-opgeleide performers gebeurt, ik heb af en toe in affe voorstellingen op de scène gestaan, naast acteurs. Als ik denk aan de ervaringen die ik heb gehad in die zogenaamd professionele producties, daar voelde het stuk vaak wel af. Daar kwam ik aan, deed ik misschien een korte tekstrepetitie met de groep, childe wat en ging ik vervolgens de scène op. Het was de eerste keer dat ik voelde alsof ik kwam werken, een shift kwam doen. Tot ik dat voor het eerst had ervaren waren performances altijd verbonden aan wat ploeteren en zoeken, elke avond op zoek gaan naar hoe de voorstelling gewoon een tikkertje veranderd zou kunnen worden om heel misschien perfectie te proeven. Maar ook wetend dat perfectie de volgende avond of tournee er iets anders uit zou zien.
Als ik hieraan denk, dan was de epitome de voorstelling Reverse Colonialism!, die ik samen met het Star Boy Collectief in 2017 heb gemaakt. Reverse Colonialism! was een voorstelling, die ik deels verfoei, en waaraan ik me toch met heel veel bewondering nog herinner. Een geënsceneerde debat en een absurde poging om een nieuw land te creëren op basis van de verlangen van drie economische migranten uit West Afrika gedesillusioneerd met de Europese droom. De voorstelling bleek goed of oké te zijn toen we het in première brachten, al wist ik door zijn geïmproviseerde aard, dat het nog heel veel kon groeien. Maar tegen een tournee van Londen en Leeuwarden in augustus 2018, the wheels were coming off. Ik belde onze Nederlands producent, die een voor ons grote tournee later in het jaar had geregeld en zei dat we het moesten annuleren. Onze producent, die de slechte voorstelling in Leeuwarden had ervaren, heeft me toen overtuigd dat het niet zo fataal was en dat het – met een paar kleine veranderingen – in orde zou komen. I still don’t know if that was to save his own neck.
Misschien heb ik in die jaren – bewust van het feit dat ik met zogenaamde niet-professionelen iets aan het maken was – te hard geprobeerd om te doen alsof we wel professioneel waren.
Voor die Nederlandse tournee hebben we radicale veranderingen gemaakt. Een van die veranderingen was het wegsmijten van een aantal video’s die tussen de geënsceneerde debat door afspeelde; video’s die de illusie gaven dat deze voorstelling af was en de illusie dat dit theater was. Vanaf de eerste voorstelling van die tournee, die rap op een trein naar Den Haag moest voorbereid en gerepeteerd worden, liep het verrassend goed. Twee Duitse programmatoren kwamen me meteen aanspreken na de voorstelling in mijn vermoeidheid en het stuk bleef touren en groeien jarenlang.
Mijn volgende overstap is in Parijs. Waar ik nog nooit eigenlijk een voorstelling heb gespeeld. Niet eens een wip. In 2023 maakte ik Une traduction infidèle, een voorstelling in het Frans, over het Frans, een voorstelling dat zeer dicht bij mijn hart ligt, en waarmee ik dacht dat ik eindelijk in Frankrijk zou kunnen spelen, en toch, ondanks heel goed onthaald te worden, toen ik met een Franse productrice een tourpack begon te maken, werd er heel erg getwijfeld over of zo’n voorstelling ooit zou lukken in Frankrijk, enerzijds omdat de voorstelling te Belgisch was, en anderzijds wegens de imperfectie van de taal. Juste comme mon onaffe français, blijft die tournee een work-in-progress … Ik stap hier de TGV op.
Toen ik nog voetballer was, en nog helemaal geen kunstenaar, stapte ik een gelijkaardige Europese intercity trein uit om de stad van Ulm, Duitsland te ontdekken voor het eerst. Op mijn tweede dag bracht de vriendin bij wie ik logeerde me, redelijk willekeurig, naar een repetitie van Ulm Ballet. Dit was echt een eenvoudige repetitie, geen doorloop van een voorstelling of iets, gewoon het eerste mappen van een choreo, maar ik was toen zo ontroerd. Het getuigen van deze Russische ballerino in het vlees en bloed, op vijf meter afstand, bracht iets teweeg binnen me. Toen ik terug in mijn tijdelijke thuisdorp was, klaar om na de winterstop terug te voetballen, zocht ik onmiddellijk een plek om balletlessen te volgen en kocht ik een aantal New York City Ballet DVDs om elke ochtend te oefenen.
Er was geen ruis: geen tickets, geen recensies, geen reclame.
Zelfs als voetballer werd ik altijd eerder aangetrokken door de training dan de wedstrijd. Ik ga niet vaak voetbalwedstrijden kijken, maar als je me de keuze geeft tussen een training van een topploeg en hun wedstrijd dan kies ik 9 keer op 10 voor de training. Ik word gehypnotiseerd als ik naar een training van een topploeg kan gaan. Het ervaren van die patronen en lijnen, die men later terug zal sporen in de chaos van een spel.
De TGV komt aan op Brussel Zuid. Ik loop naar perron 9. Twee-en-zeventig uur na de wip. Vier-en-twintig uur na mijn vertrek. Hier in Brussel, bij Kaaistudio’s, werd ik eerst bewust van het feit dat – zonder er echt strategisch over na te denken – het delen van het onaffe, van het onderzoek een pijler van mijn creatieve proces was geworden.
Het was eind 2022, na een zeer druk voorjaar en een toch redelijk volle najaar toen ik eindelijk een week vrij had, I couldn’t help myself. Ik dook gretig in een idee voor een nieuwe tekst, ontdekte dat de theaterzaal bij Kaaistudio’s vrij was en trommelde wat vrienden en collega’s op om een toonmoment te komen getuigen.
Ik weet niet of wat ik die dag deed goed was. Ik denk dat het veel te lang was. Toch bestond er – en dit is wat ik het meest overhoud van de ad hoc, impromptu wips van de voorbije jaren – een bepaalde magie in de ruimte. Er was geen ruis: geen tickets, geen recensies, geen reclame. But the stakes aren’t lower. If anything, they’re higher … Er was tijd en ruimte voor onbeteugeld experiment.
De avond voor mijn vertrek, 24 uur voor ik dit artikel in een donker vliegtuig begon te schrijven, toen ik eigenlijk rustig thuis met mijn ouders moest blijven en wat inpakken, besloot ik om naar een muziekoptreden te gaan. Een vriend had me over een blijkbaar fantastische venue verteld, een oude fish and chips winkel die getransformeerd was tot muziekzaal. De frietketel nog in staat en werkend, op vijf meter afstand van het ‘podium’, de vitrinekast, ooit vol met vis en frietjes klaar om te frituren, nu vol gepropt met pintjes.
Die vriend sprak over hoe hij soms twintig jarigen hun allereerste optreden daar had zien spelen. The thrashy punk bands die ik die avond zag spelen, geparfumeerd met frietolie en zweet, waren niet per se fenomenaal, maar ik was zo blij om daar te zijn geweest en om die energie te hebben gevoeld. Midden in de set van de tweede groep, ontstond er efkes een gesprek met het publiek, blijkbaar was de gitarist zijn instrument niet gestemd. Het gesprek dat er volgde, deels grappig en deels geladen met een lichte machistische agressie, trok me terug naar de realiteit, naar de work-in-progress, naar de hier en nu.
Ik was ook bang, bijna overtuigd dat de verleiding om iets goeds te doen, te groot zou zijn.
Ik kom aan op Antwerpen Centraal. De vermoeidheid begint te werken, jij bent waarschijnlijk ook moe van mijn net niet juiste zinnen. Vanaf hier is het een 10-minuten wandelen tot mijn bed. De dag voor de wip waarmee ik dit avontuur ben begonnen, was ik wandelend tekst aan het blokken. Deze tekst was een moeilijke om te blokken omdat ik met de vergankelijkheid van mijn Engels aan het spelen was en dát via de taal van mijn dochter: een Engels die de indrukken van het Nederlands niet kan verstoppen; een zeer creatieve taal die volgorde niet altijd respecteert en woorden zoals ‘morely’ uitvindt. De tekst was al geschreven en moest simpelweg in mijn hoofd zijn tegen de presentatie de volgende dag. De tekst … Die taal … invaded mijn Engels in de dagen voordien. En terwijl ik zocht naar de woorden en ‘anti-volgordes’, precies zoals ik ze geschreven had, stootte ik vaak tegen nieuwe zinsconstructies die toch trouw aan deze Vernederlandste Engels taal waren. Het werd zoekender dan bij de momenten wanneer ik de tekst, zoals geschreven, woord voor woord kon herproduceren, maar er was iets zo eerlijk in dat zoeken. Ik stopte en zei tegen mezelf, ‘You’ve got a choice, tomorrow you can try perform the text as it’s written or you can take your time and embrace the exercise.’ Ik wist meteen welke de juiste keuze was. Maar ik was ook bang, bijna overtuigd dat de verleiding om iets goeds te doen, te groot zou zijn. En dat zelfs in deze praktijk van het ensceneren van het onaffe ik zou terugkeren naar de veiligheid en comfort van het affe.
De ervaring van die wip was misschien de mooiste die ik heb gehad. Behalve een tweetal doorlopen met mijn dramaturg, had ik deze tekst en deze taal nooit met mensen in Australië gedeeld. Tegen het einde van de tekst, terwijl de taal van mijn dochter aan het intensiveren was, probeerde ik mijn verloren, afgeleerde Australische accent terug te vinden, iets dat heel verwrongen voelde en me niet echt gelukt was tijdens de doorlopen. Maar in aanwezigheid van een publiek vol verschillende Australische accenten – zelfs als ze op dat moment niet door de ruimte galmden - voelde ik me aangemoedigd om ze te kanaliseren en mijn Australische accent terug te ontdekken.
Mijn broer sprak me een paar uur na de wip in de auto op weg naar een etentje. Hij was blijkbaar zo ontroerd door wat ik getoond had. Het was een aantal jaren sinds hij iets van mij had gezien. Hij maakte zijn analyse van het stuk en zijn emotionele tocht en sprak met woorden zoals ‘maturiteit’ en ‘kwetsbaarheid.’ Hij sprak alsof ik de finished product was, mijn metier had geleerd. Hij zei alles dat een jonge broer van zijn 4,5-jaar oudere broer, vader en mentor, verlangt om te horen. En toch zat ik naast hem stil, zonder glimlach en niet op mijn gemak. Het was alsof het precies was wat ik niet wilde horen. Want het betekende dat alles ‘af’ was.
En ik gedij in het onaffe. I deal in imperfection.
Het onaffe is een breed begrip, dat – hoe kan het ook anders – vele voorlopige gedaantes aanneemt, van procesmatig en ontwikkelingsgericht tot onafgewerkt en onvoltooid. In rekto:verso's lentenummer verkennen cultuurcritici en makers welke plaats het onaffe heeft binnen een kunstenbeleid dat vooral inzet op productie en resultaat. Of is 'onaf' ondertussen zelf een beleidsfetisj geworden?