Taalregels. Ze worden niet altijd even consequent nageleefd, maar de meeste mensen weten wel dat je hij leidt met dt schrijft en dat mooier dan verzorgder klinkt dan mooier als. Toch twijfelen sommige taalgebruikers misschien langer bij een zin als: Ik heb hen gisteren gezien. Is het nu hen, hun of ze? Die twijfel bestond eeuwen geleden ook al. Hoe komt het dat sommige taalregels, ondanks hun lange geschiedenis, blijven wringen voor veel taalgebruikers? En wat zegt dat over de historische relatie tussen taalregels en taalgebruik?
Eeuwen geleden al werden taalregels uitgewerkt. Onderzoek in archieven leert ons daar meer over.
Om die vragen te beantwoorden, is het zinvol om eerst te kijken naar het moment waarop die taalregels voor het Nederlands werden vastgelegd. Dat brengt ons bij de periode van de renaissance en de uitvinding van de boekdrukkunst. In die tijd werden gedrukte teksten steeds vaker in het Nederlands, en niet langer in het Latijn, geschreven. Wie gedrukte teksten op grote schaal wilde verspreiden, had behoefte aan een zekere uniformiteit, wat leidde tot het vastleggen van taalregels. Zo verschenen in de 16e eeuw de eerste spellingsgidsen voor het Nederlands en nam ook het aantal grammatica’s en schoolboeken gradueel toe in de 17e en 18e eeuw.
Een van de taalregels die toen werden vastgelegd, is het gebruik van hen en hun om te verwijzen naar meerdere personen, zoals in de zin ik heb hen gezien. In 1625 bepaalde Christiaen van Heule, een Hollandse grammaticus, dat hen moest worden gebruikt in zinnen met een accusatief. Het voornaamwoord hun, daarentegen, was gereserveerd voor zinnen met een datief, zoals in: ik heb hun een geschenk gegeven. Van Heule liet zich voor dat strikte naamvalonderscheid inspireren door het Latijn, waar eveneens verschillende vormen werden gebruikt om naamvallen van elkaar te onderscheiden. De regel was overigens complexer dan hen tegenover hun. Historische grammatici schreven lang ook ze voor als alternatief voor hen: ik heb ze gezien. En, om het nog ingewikkelder te maken, moest je haar gebruiken om te verwijzen naar vrouwelijke referenten: ik heb haar alle drie geholpen.
De regel was overigens complexer dan 'hen' tegenover 'hun'.
De regel bij de vergelijkingen was eenvoudiger. Terwijl verschillende taalgebruikers, inclusief bekende literaire auteurs, in de 17e eeuw nog als gebruikten in een vergelijking als dit boek is mooier als het andere, werd dan als regel vastgelegd in de 18e eeuw. Dat gebeurde nadat de prestigieuze Hollandse dichter Joost van den Vondel in zijn poëzie de vorm als inruilde voor dan. Bij het vastleggen van deze taalregel keken grammatici dus naar wat toonaangevende schrijvers deden in hun taalgebruik.
Een soortgelijk verhaal zien we bij de werkwoordspelling met dt. Die spelling werd al op grote schaal gebruikt in de 16e eeuw, maar Hollandse grammatici schreven de vorm pas voor in de loop van de 17e eeuw. Voor deze taalregel leken grammatici dus vooral te reflecteren wat gebruikelijk was in het taalgebruik.
Om te achterhalen of deze taalregels ook een invloed hadden op het historische taalgebruik, volstaat het niet om alleen naar voorschriften in spellingsgidsen en grammatica’s te kijken. Om het succes van taalregels te bepalen, is het belangrijk om na te gaan wat taalgebruikers echt deden nadat de taalregels waren vastgelegd. Daarom vergelijken we de taalregels met wat er in het historische taalgebruik gebeurde. Dat kan alleen door het geschreven Nederlands in verschillende historische periodes te onderzoeken. Het Historical Corpus of Dutch (toegankelijk via hcd.ivdnt.org, zie: Van de Voorde et al. (2023)) laat ons toe om het taalgebruik tussen de 16e en 19e eeuw te analyseren, en om daarbij ook rekening te houden met verschillen tussen regio’s en genres. Aan de hand van dit corpus kunnen we dus nagaan of het taalgebruik op een bepaald moment verschuift in de richting van de voorgeschreven taalregels. Enkel als die verandering plaatsvindt nadat de taalregels zijn vastgelegd, kunnen we spreken over mogelijke normatieve invloed, over een potentiële impact van taalregels op het taalgebruik.
Genreverschillen zijn een belangrijke factor in zulke analyses. De invloed van taalregels is namelijk niet altijd zichtbaar in het volledige taalgebruik. Vaak zien we een sterkere invloed in gedrukte of erg formele teksten, zoals pamfletten of administratieve documenten. Die werden doorgaans zorgvuldig nagelezen en geredigeerd, waardoor ze gevoeliger zijn voor normatieve invloed. In informelere teksten, zoals persoonlijke brieven en dagboeken, was de druk om de taalregels consequent toe te passen, allicht minder groot. Dat patroon herkennen we ook vandaag nog. Veel mensen zijn doorgaans bezig met correct taalgebruik als ze een sollicitatiebrief schrijven, maar veel minder als ze een chatbericht versturen.
Wanneer we de voorschriften naast het historische taalgebruik leggen, verkrijgen we een genuanceerd beeld. Niet alle taalregels hebben dezelfde invloed op het taalgebruik. Dat verschil wordt zichtbaar wanneer we kijken naar drie kenmerken waarvoor de taalregels in de 17e en 18e eeuw werden vastgelegd. De persoonlijke voornaamwoorden hen en hun, het gebruik van dan in vergelijkingen en de werkwoordspelling met dt bieden elk een ander perspectief op de invloed van taalregels op het taalgebruik.
Het naamvalsonderscheid tussen hen en hun, dat in het begin van de 17e eeuw voor het eerst werd voorgeschreven, blijkt in de praktijk moeilijk voet aan de grond te krijgen. In de 17e en 18e eeuw kiezen de meeste taalgebruikers voor hun, of gebruiken ze hen en hun door elkaar, zonder rekening te houden met het naamvalsonderscheid dat grammatici introduceerden. De invloed van taalregels blijkt hier dus erg beperkt. We vinden het voorgeschreven onderscheid vooral terug in het noorden van het taalgebied, en dan hoofdzakelijk in gedrukte teksten – teksten die sterk geredigeerd werden dus. In het zuiden is de invloed van deze taalregel zelfs in de 19e eeuw nog gering. Dat wijst erop dat het naamvalsonderscheid tussen hen en hun ook in het verleden niet erg breed gedragen was.
Hier lijkt de taalregel dus een lopende verandering te hebben afgeremd.
Bij het voegwoord dan in vergelijkingen zien we een ander patroon. In de 16e eeuw is dan nog de meest frequente vorm in het taalgebruik, maar in de loop van de 17e eeuw schakelen taalgebruikers massaal over op als. Wanneer 18e-eeuwse grammatici vervolgens dan als regel opleggen, zien we het taalgebruik opnieuw verschuiven. In de 18e en 19e eeuw neemt het gebruik van dan sterk toe in het geschreven Nederlands. Hier lijkt de taalregel dus een lopende verandering te hebben afgeremd. Hoewel grammatici de verschuiving naar als niet definitief konden tegenhouden in alle contexten, hebben ze die wel vertraagd in het geschreven taalgebruik.
Nog een ander beeld krijgen we bij de spelling van werkwoorden met een stam die eindigt op d. De spelling met dt, zoals in hij leidt, was al wijdverbreid voordat ze in de 17e eeuw werd vastgelegd als regel. Wanneer in de 18e eeuw steeds meer spellingsgidsen en schoolboeken de spelling voorschrijven, neemt het gebruik ervan verder toe. Tegen de 19e eeuw hanteert een grote meerderheid van de taalgebruikers de voorgeschreven spelling. Hoewel de taalregel hier dus duidelijk achterliep op het taalgebruik – want de spelling dt circuleerde al voor hij werd vastgelegd als regel – lijken de voorschriften wel te hebben bijgedragen aan een snellere en bredere verspreiding van de spelling binnen de taalgemeenschap. Ook hier kunnen we daarom spreken van een voorzichtig succesverhaal, waarin de taalregel geen nieuwe vorm introduceerde, maar wel het tempo van een verandering beïnvloedde.
In 1625 bepaalde Christiaen van Heule dat hen moest worden gebruikt in zinnen met een accusatief. Het voornaamwoord hun, daarentegen, was gereserveerd voor zinnen met een datief, zoals in: ik heb hun een geschenk gegeven.
Deze drie voorbeelden laten zien dat taalregels niet op één manier ingrijpen in het taalgebruik. Hoewel de invloed bij het naamvalsonderscheid tussen hen en hun grotendeels beperkt bleef tot gedrukte teksten in het Noorden, hadden taalregels bij de vergelijkingen en de werkwoordspelling waarschijnlijk een bredere impact op het taalgebruik. In het geval van de vergelijkingen konden ze de lopende verandering naar als afremmen, terwijl ze bij de werkwoordspelling de verandering naar dt hebben versneld. Die bevindingen roepen een belangrijke vraag op, namelijk: waarom slagen sommige taalregels erin het taalgebruik merkbaar te beïnvloeden, terwijl andere maar weinig effect hebben?
Wanneer taalregels precies succesvol zijn, hangt af van verschillende factoren. Een van die factoren is de mate waarin taalregels aansluiten bij wat taalgebruikers doen. Historische taalregels kwamen niet allemaal op dezelfde manier tot stand. Sommige, zoals het onderscheid tussen hen en hun, hadden geen basis in het taalgebruik en waren geïnspireerd door het Latijn. Andere taalregels, zoals het gebruik dan in vergelijkingen of de werkwoordspelling met dt, groeiden uit wat taalgebruikers al deden.
Dat verschil helpt verklaren waarom bepaalde taalregels meer succes hadden dan andere. Wanneer grammatici inspeelden op wat er gebeurde in het taalgebruik, hadden ze meer kans om het taalgebruik te beïnvloeden. Ze slaagden er zelden in een nieuwe constructie op grote schaal te introduceren, maar konden bepaalde veranderingen dus wel afremmen of versnellen.
Dat betekent ook dat taalregels die te ver afstaan van de talige praktijk, weinig kans hebben op slagen. Taalregels zijn pas effectief wanneer ze resoneren met wat taalgebruikers herkennen en echt doen. Als er geen aansluiting is met het taalgebruik, blijft het succes vaak beperkt, zelfs na eeuwen van taalnormering.
Dit artikel is gebaseerd op mijn doctoraatsonderzoek. Voor een volledige bespreking van de resultaten verwijs ik naar mijn proefschrift, dat online open toegankelijk is.
Bronnen
Eline Lismont is postdoctoraal onderzoeker in de historische sociolinguïstiek van het Nederlands aan de Vrije Universiteit Brussel.
Dit artikel werd gepubliceerd in Neerlandia 2026-1.