16, maart 2026

Van winterstormen naar hittestress: de seizoenen

Droge zomers met steeds meer hittegolven, natte winters met sneeuwstormen en extreme regenbuien. De laatste jaren lijken de seizoenen te veranderen. De vertrouwde kenmerken van elk jaargetijde ebben weg. Hoe dat komt en welke rol de astronomie speelt, schetst voormalig weerman van de VRT Frank Deboosere.

Een lentezonnetje, een zomerlief, herfstkleuren of oorlogswinter: je kan de seizoenen niet wegdenken uit ons leven. Elk jaargetijde heeft zijn unieke kenmerken. Of niet? De laatste jaren lijken de seizoenen te verwateren, op te schuiven, te veranderen. Welke getijden zitten er in een jaar?

Een stukje astronomie

Het zou zo eenvoudig kunnen zijn ... Stel dat de aardas loodrecht staat op het vlak waarin die aarde rond de zon draait, dan waren er geen seizoenen. Geen. Alle dagen zou de zon opkomen pal in het oosten en 's avonds ondergaan in het westen. Dag en nacht zouden altijd even lang zijn. Het kan vriezen, het kan dooien.

Maar ze houden daar boven duidelijk niet van makkelijke oplossingen. De aardas heeft een slag van de molen gekregen en maakt een hoek van 66°33' met de ecliptica, het vlak waarin we rond de zon draaien. De aardas is dus gekanteld. Gedurende een half jaar neigt het noordelijk halfrond meer naar de zon, terwijl in de overige zes maanden het zuidelijk halfrond meer zonneschijn krijgt. In de lente en de zomer profiteren wij dus van veel extra daglicht. Tijdens de wintermaanden voert de nacht het hoogste woord.

Verschil in daglengte

Nabij de evenaar is er niet zoveel verschil in daglengte tussen winter en zomer. Maar onze streken krijgen bij het begin van de astronomische zomer (rond 21 juni) meer dan zestien uur daglicht. Rond 21 december is de situatie net andersom en moeten we het stellen met een zuinige acht uur daglicht en regeert de nacht. Ga je nog noordelijker, dan wordt het verschil in daglengte nog groter. Boven de poolcirkel krijg je zo het fenomeen van de middernachtzon: de zon gaat niet onder. En zes maanden later komt de zon gewoonweg niet boven de horizon. Weliswaar met die nuance dat de seizoenen in het noordelijk en zuidelijk halfrond net andersom zijn. Lente bij ons is herfst in Chili.

Meer daglicht in lente en zomer zorgt ervoor dat de zon daar meer kans krijgt om te schijnen en 's middags hoog aan de hemel staat. Aangezien de zon warmte brengt, is het dus nogal wiedes dat de lente en de zomer het goed doen qua kwik. Minder bekend is het feit dat de zon bijna nooit pal in het oosten opkomt en ondergaat pal in het westen. Dat is alleen het geval bij het begin van de lente en de herfst. In het putje van de winter verschijnt de zon in onze streken boven de zuidoostelijke horizon. Rond 21 juni komt de zon op in het noordoosten en blaast ze haar laatste stralen uit boven de noordwestelijke horizon. In die periode van het jaar duikt de zon in België en Nederland zelfs geen 18 graden onder de noordelijke horizon. Dat zijn dan de 'grijze nachten': het wordt niet helemaal donker.

Lange en korte seizoenen

Wellicht hebben lente en zomer in de Lage Landen net iets meer fans. Het is immers de periode waarin de natuur ontwaakt en nieuw leven brengt. Het feest van licht en kleur culmineert uiteindelijk in die zalige zomer met veel vakantie en plezier. Voor al die zonnekloppers is er goed nieuws: de lente en de zomer duren op het noordelijk halfrond langer dan de herfst en de winter. 'Waarschijnlijk een astronomisch secondenspel', hoor ik je denken. Niet dus. De lente en de zomer zijn elk goed voor 92 of 93 dagen. Herfst en winter moeten het stellen met 88 of 89 dagen. Alstublieft, met de complimenten van de chef.

Wat is er aan de hand? Het heeft alles te maken met de baan van de aarde om de zon. Die baan is namelijk niet cirkelvormig. Begin januari staan we het dichtst bij de zon. Begin juli bevindt de aarde zich zo’n vijf miljoen km verder van de zon. Nu is er een verband tussen de afstand tot de zon en de snelheid waarmee we rond de zon draaien. Het was Johannes Kepler die in het begin van de 17e eeuw aantoonde dat de aarde (en alle andere planeten), dichter bij de zon, sneller rond die zon draait. Begin januari zoeft de aarde met een snelheid van ongeveer 109.000 km/h rond de zon. Begin juli is die snelheid teruggelopen tot iets meer dan 105.000 km/h. Precies dat verschil in snelheid zorgt ervoor dat lente en zomer op het noordelijk halfrond enkele dagen langer duren dan herfst en winter.

Baan van de aarde rond de zon

Maar hoe komt het dan dat we in de zomermaanden zoveel warmte krijgen? We staan dan toch een pak verder van de zon dan in januari? En waarom is het trouwens koud in de winter? Het antwoord heeft alles te maken met de daglengte, zoals hierboven beschreven. Langere dagen zorgen voor meer zon. OK, die zon staat dan iets verder weg, maar het feit dat hij vele uren langer kan schijnen en daarbij ook veel hoger boven de horizon komt, is voor het kwik veel belangrijker. Vergelijk het met een kachel die vlakbij staat maar amper mag branden, terwijl diezelfde kachel op een iets grotere afstand maar met veel meer uren op de dagelijkse teller de boel serieus kan opwarmen.

Slimmeriken zullen concluderen dat de seizoenen op het zuidelijk halfrond intenser zijn: als het daar zomert, staat de aarde immers vijf miljoen km dichter bij de zon. Dat blijkt dus niet zo te zijn. De reden? Op het noordelijk halfrond is veel meer continent, veel meer landmassa. En we weten dat het land veel sneller opwarmt dan de zee. Gemiddeld gesproken zijn de zomers op het noordelijk halfrond dus heter en de winters kouder dan ten zuiden van de evenaar.

Vertraging

Er is trouwens wel meer aan de hand met de temperaturen. Je verwacht meestal de grootste hitte als de zon maximaal kan schijnen, op de langste dagen van het jaar, dus rond 21 juni. En de koudste maximum- en minimumtemperaturen moeten dan vallen in de periode rond 21 december. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Het kwik reageert in onze streken met vertraging op het zonnegeweld. De warmste dag valt in Ukkel gemiddeld gesproken rond 20 juli. Het 'putteke van de winter' is klimatologisch gezien voor de periode tussen 15 en 25 januari. Je hebt niet eens de waarnemingen van het K.M.I. en het K.N.M.I. nodig om dat aan te tonen: het zit vastgeroest in eeuwenoude weerspreuken. 'Sint-Antoon en Sint-Sebastiaan komen met het hardste van de winter aan.'

Het kwik reageert in onze streken dus met vertraging op de seizoenen. De gemiddelde temperatuur van de maand maart is de gemiddelde temperatuur van ... november, niet van september. Terwijl de zon in de maanden maart en september even hoog aan de hemel staat. Die heerlijke maand mei komt kwikgewijs overeen met september! Dat het kwik zo lui is, komt door de nabijheid van het water. De Lage Landen hebben een zeeklimaat. Het zeewater warmt in de zomermaanden maar langzaam op. Het blijft lang na het begin van de astronomische zomer (rond 21 juni) geruime tijd opwarmen. Met zuidwestelijke luchtstromingen krijgen wij lucht die lange tijd over zee heeft vertoefd en zo de temperatuur van dat zeewater heeft gekregen.

Een andere definitie

De data van de astronomische seizoenen zijn niet in steen gebeiteld op de kalender. Het is perfect mogelijk dat het begin van een seizoen op een 20ste valt. Of op een 22ste. Meer zelfs, de astronomische herfst is sinds het begin van de Gregoriaanse kalender nog nooit op 21 september begonnen. En het zal nog vele decennia duren eer de lente nog eens begint op 21 maart. De meeste lezers van dit artikel zullen in hun hele leven nooit op 21 maart het begin van de lente vieren.

De astronomen maken het ons niet makkelijk. Daarom hebben de meteorologen gekozen voor een eenvoudige oplossing. Voor hen begint een seizoen op de eerste van de maand. De weerkundige lente start dus altijd op 1 maart. Dat vergemakkelijkt het maken van statistieken.

En wat doet de natuur? Die trekt zich van al die datadefinities weinig aan. Dat de lente komt, dat staat als een paal boven water. Maar het gaat altijd met horten en stoten. Soms voelen we de eerste lentekriebels al in de maand februari. Het kan echter evenzeer gebeuren dat een hele maand april kouder is dan de voorafgaande maand maart. Eén ding is zeker: de zon zal overwinnen, de lente kruipt dichterbij en vervolgens wordt de zomer voorbereid.

Dankzij de klimatologie kunnen we uitspraken doen over veranderingen in de seizoenen. Door te middelen over een periode van dertig jaar wordt een 'gemiddeld' seizoen gedefinieerd. Op die manier zien we heel duidelijk dat een typische lente van het begin van de 20e eeuw twee à drie weken later start dan tegenwoordig. De zomer duurt langer, de bomen houden in de herfst langer hun bladeren, de winter smelt langzaam weg.

Frank Deboosere was 36 jaar weerman bij VRT. Als Europees klimaatambassadeur draagt hij wetenschap, technologie en ecologie hoog in het vaandel. Maar ook taal en muziek kunnen hem bekoren. In 1997 ontving hij de Wablieft-prijs voor heldere taal. In 2017 kreeg hij het Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap. Hij schreef verschillende boeken over weer, klimaat en astronomie.