Docent en auteur Isabel Kennis kijkt met laaggeletterde volwassenen naar beeldende kunst, van Pieter Bruegel de Oude tot Sol LeWitt. Levenservaring is daarbij even waardevol als kunsthistorische kennis. De gesprekken die rond kunst ontstaan, bieden meer dan taalontwikkeling alleen. Ze geven mensen toegang tot een gedeelde denkruimte waarin ze ervaringen, herinneringen en inzichten kunnen uitwisselen.
Duidelijke taal wordt soms gezien als een manier om informatie toegankelijker te maken. Maar ze kan ook iets anders doen: ruimte creëren voor gesprekken die anders nooit zouden ontstaan. Dat merken we in Je ziet altijd meer (2020) en Oude dromen (2025), twee beeldboeken voor laaggeletterde volwassenen die anderstalig of Nederlandstalig zijn. Die boeken schreef ik vanuit mijn ervaring als docent en verantwoordelijke voor sociale en culturele participatie bij Ligo Brusselleer.
Beide boeken combineren eenvoudige teksten met afbeeldingen van kunstwerken en erfgoedobjecten uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België en het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel. Ze nodigen lezers uit om te kijken, na te denken en te praten over de verhalen, kennis en dromen die in kunstwerken besloten liggen. Bij beide boeken hoort een gratis educatief pakket voor lesgevers. De boeken en educatieve pakketten vinden onder meer hun weg naar de lessen Nederlands van Ligo, de dertien Centra voor Basiseducatie in Vlaanderen en Brussel. Ze worden daar gebruikt door laaggeletterde volwassenen met uiteenlopende achtergronden, of zij nu Nederlands als eerste of als tweede taal leren.
In een tijd waarin veel informatie vluchtig en digitaal is, heeft een boek een bijzondere waarde. Een boek blijft. Je kan het vasthouden, herlezen, terugbladeren en er samen rond werken. In de klas kan het langzaam en stap voor stap gelezen worden. Er is tijd om stil te staan bij een beeld, woorden te zoeken, een gesprek te laten ontstaan en terug te keren naar wat eerder werd gezegd.
De eenvoudige taal in deze boeken vereenvoudigt de kunst niet. Eenvoudige woorden hoeven een ervaring niet af te vlakken. Ze kunnen juist bijzonder precies zijn. Ze laten ruimte voor herkenning en verbeelding en raken soms directer aan de kern. Het boek vormt ook een brug naar het museum. Het maakt de drempel lager om kunstwerken in het echt te gaan ontmoeten. Want hoe waardevol een reproductie ook is, in het museum leeft de kunst werkelijk. Het boek bereidt die ontmoeting voor en verlengt haar tegelijk.
De lezers van deze boeken behoren tot een groep die in onze samenleving vaak weinig gehoord wordt. Velen groeiden op in omstandigheden waarin onderwijs minder toegankelijk was. De confrontatie met een sterk geletterde samenleving kan hard zijn. Toch bestaat er naast het klassieke onderwijs nog een andere bron van kennis: het leven zelf.
Veel cursisten van Ligo brengen een uitzonderlijke levenservaring mee. Sommigen hebben oorlog meegemaakt, zijn gevlucht voor geweld of zijn jarenlang onderweg geweest voor ze in België terechtkwamen. Er zijn cursisten die een groot deel van hun reis vanuit Afghanistan te voet hebben afgelegd. Zulke ervaringen wens je niemand toe, maar ze vormen wel een manier van kijken naar de wereld.
Wanneer deze cursisten kunst beschouwen, valt vaak op hoe direct en scherp hun waarnemingen zijn. Ze kijken niet noodzakelijk vanuit kunsthistorische kennis, maar vanuit een intense betrokkenheid. Hun interpretaties zijn vaak concreet, gevoelig en verrassend trefzeker. In een samenleving die sterk inzet op formele kennis, vergeten we soms dat ook levenservaring een bron van inzicht kan zijn. Net daarom kunnen deze gesprekken over kunst voor alle betrokkenen verrijkend zijn.
Wie kunst beschouwt, hoeft niet noodzakelijk over een uitgebreide culturele bagage te beschikken. Openheid, aandacht en levenservaring zijn minstens even belangrijk. Tegelijk is er vaak een bemiddelaar nodig die een eerste toegang biedt: een leerkracht, een gids of een boek dat de deur opent.
In lessen Nederlands voor anderstaligen, bij Ligo of in een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO), ontstaan rond kunstwerken vaak verrassend rijke gesprekken. Cursisten onderzoeken wat een werk met hen doet. Ze leggen verbanden met hun eigen ervaringen en ontdekken nieuwe perspectieven. De taal is eenvoudig, maar de gedachten zijn dat niet.
David Altmejd, Untitled 12 (Bodybuilders), 2015, gips, jute, multiplex, polystyreen, aqua hars, uitzetbaar schuim en staal, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België
In het kunstwerk Untitled 12 (Bodybuilders) (2015) van David Altmejd klimt een witte, gipsen figuur een trap op. Het beeld roept associaties op met Lazarus die oprijst uit een kuil. Opvallend zijn de vele handen die het lichaam vormen en het grote gat ter hoogte van het hart.
De taal is eenvoudig, maar de gedachten zijn dat niet.
Na een grondige observatie met de cursisten zochten we samen naar mogelijke betekenissen. In plaats van een abstracte discussie, startten we vanuit een concrete, tastbare vraag: ‘Waar in de publieke ruimte zou jij dit kunstwerk plaatsen? In een ziekenhuis, een station of een park?’ De gekozen locatie onthult namelijk veel over de persoonlijke interpretatie van de kijker.
Deze insteek opende de weg naar diverse en diepgaande inzichten:
Door te vertrekken vanuit een ruimtelijke context, kreeg de interpretatie van het kunstwerk een heel persoonlijke en tastbare invulling.
Ook complexe ideeën uit de kunstgeschiedenis kan je toegankelijk maken zonder ze te vereenvoudigen. Het schilderij Winterlandschap met vogelknip (1565) van Pieter Bruegel de Oude roept gesprekken op over de kwetsbaarheid en vergankelijkheid van het bestaan. Het bevroren landschap, de schaatsers en de vogelknip die elk moment kan dichtklappen, beschrijft het boek zo: ‘Het leven is zo dun als dit ijs. Het kan gemakkelijk breken.’ Die eenvoudige zinnen, rechtstreeks voortgekomen uit de ontmoeting met het kunstwerk, maken een eeuwenoud thema tastbaar. De woorden zijn eenvoudig, maar de gedachte is rijk: ons bestaan is broos en vraagt om zorg en aandacht.
Dit betekent niet dat de kunsthistorische blik aan belang moet inboeten. Integendeel. Kennis van context, stijl, techniek en geschiedenis kan een kunstwerk verdiepen en nieuwe betekenislagen zichtbaar maken. Maar naast die geleerde blik is er ook nood aan andere manieren van kijken. Een meer mensgerichte blik, die vertrekt vanuit ervaring, emotie en de vraag wat een kunstwerk met iemand doet. Wat herken ik? Wat raakt me? Welke herinneringen of gedachten roept dit op? Die vormen van kijken sluiten elkaar niet uit. Ze kunnen elkaar net aanvullen en verrijken. Kunst wordt rijker wanneer er plaats is voor zowel expertise als levenservaring.
Ook complexe ideeën uit de kunstgeschiedenis kan je toegankelijk maken zonder ze te vereenvoudigen.
Voor het kunstwerk Wall drawing nr.426 (1985) van Sol LeWitt zoeken we herkenbare vergelijkingen. LeWitt bedacht de plannen en rekende op een logische formule. De fysieke uitvoering liet hij over aan assistenten, studenten of museummedewerkers. Zelf vond hij dat handwerk puur een kwestie van afwikkelen. In Je ziet altijd meer vergelijken we dit proces met een lied. Als twee mensen hetzelfde nummer zingen, klinkt het toch compleet anders. Precies zo kreeg LeWitts idee telkens een nieuwe vorm. In de les voerden we zijn plannen zelf ook uit. Tijdens de nabespreking trokken we die lijn door naar het dagelijks leven. Is het concept 'familie' of 'school' ook niet gewoon één idee met duizenden unieke uitvoeringen? En nog gewaagder: zijn alle wereldreligies in de kern misschien verschillende uitvoeringen van hetzelfde concept?
Het boek Oude dromen neemt de lezer mee op een reis door het Museum Kunst & Geschiedenis, langs kunst en voorwerpen van de prehistorie tot nu. Een bezoek aan dit museum is als een wandeling door het leven zelf. De teksten nodigen uit tot diepe reflectie over belangrijke thema’s zoals liefde, dood, natuur, tijd en goden. Elk kunstwerk wordt tastbaar als een droom van mensen van over de hele wereld – dromen die ons vandaag nog steeds inspireren.
Neem nu het marmeren vrouwenbeeldje uit Amorgos (Griekenland), dat dateert uit het vierde millennium voor Christus. Dit eeuwenoude object is verrassend actueel. Zowel de vrouw als de natuur schenken het leven. In een tijd waarin onze natuur zwaar onder druk staat, herinnert dit beeldje ons aan die kwetsbare verbinding. Om de natuur te redden zijn praktische maatregelen nodig, maar we hebben ook inspirerende symbolen nodig die ons mentaal voeden. Dit marmeren vrouwenbeeldje is daar een sprekend voorbeeld van.
De betekenissen achter de beelden in dit boek zijn voor cursisten vaak verrassend herkenbaar. Zo raakte de dansende Shiva een Palestijnse cursist uit Gaza diep; het deed hem denken aan het feniksbeeld in Gaza-Stad. Net als de feniks belichaamt Shiva in het hindoeïsme vernietiging en transformatie. Dit bewijst dat zo'n beeld ook kracht kan geven aan mensen uit andere culturen.
Ook verhalen zoals die van Elias en Khadir, die in het land van de duisternis zoeken naar de levensfontein, overstijgen moeiteloos culturele grenzen. Hetzelfde geldt voor de romance tussen Layla en Majnun, waarin we direct Romeo en Julia herkennen. Dit nodigt uit tot mooie gesprekken over onmogelijke liefdes door de eeuwen heen. Daarnaast biedt de kunst troost. Het liggende hert uit de Chinese Oostelijke Zhou-dynastie (475-221 v.Chr.) begeleidt volgens de traditie de ziel naar de hemel. De aanblik ervan brengt verstilling en zachtheid bij een verlies.
De gesprekken die rond kunst ontstaan, bieden meer dan taalontwikkeling alleen. Ze geven mensen toegang tot een gedeelde denkruimte waarin ze ervaringen, herinneringen en inzichten kunnen uitwisselen. Kunst wordt zo niet alleen een object van beschouwing, maar ook een aanleiding tot ontmoeting, dialoog, bewustwording en begrip.
Voor laaggeletterde volwassenen is die ontmoeting van bijzondere betekenis. Ze toont dat culturele participatie niet afhankelijk is van opleidingsniveau of voorkennis. Kunst behoort iedereen toe. Soms is er alleen iemand nodig die de deur opent.