DEM 195

We spreken Hanne en Angelika samen: de DEMarreurs van 2025 delen heel wat, onder meer een maatschappijkritiek, het vrouw-zijn en een zorg om de ecologische crisis. Maar er zijn ook grote verschillen. Wat volgt, is een rijk gesprek over verbinding, ontbinding, schuld en verzet tegen het tegennatuurlijke.

Dag Angelika en Hanne, jullie lazen elkaars teksten. Zien jullie gelijkenissen?

Hanne Craye: Het was lang geleden dat ik nog poëzie las, maar het voelde helemaal niet als een opdracht. Angelika schrijft zo beeldend. Zoals in het vierde gedicht van ‘Green reset’: “Mijn haar valt uit, lokken tussen mijn vingers”. Dat beeld komt ook letterlijk terug in ‘Staafmixer’ wanneer het hoofdpersonage akelig mager wordt. Ik herken ook wel hoe beelden zich vermengen en iets anders worden.

Angelika Geronymaki: Ik denk dat de thema’s ook vaak gelijk lopen. Onze personages zijn vrouwelijke individuen die zich proberen te verhouden tot een moeilijke wereld. In het proza van Hanne gaat het over al het afval dat rondslingert, een broer die radicaliseert enzovoort. Het is een bijna dystopische setting, wat ik ook graag gebruik in mijn poëzie. En natuurlijk de ecologische crisis die bij ons allebei doorzindert.

Hanne Craye

Hanne Craye

Die moeilijke verhouding tot de wereld van jullie personages verklaart misschien de vervreemdende ondertoon die ik ontwaar in jullie werk.

Angelika: Door het onderscheid tussen feit en fictie te laten vervagen, vergroot ik mijn maatschappijkritiek uit en krijg je een vervreemdend effect. Ik vind de maatschappij zélf erg vreemd en dat laat ik door die beelden zien.

Hanne: Mijn verhaal gaat eigenlijk nergens over. Het is een beetje een treurig schouwspel. Waarom is Anjo (hoofdpersonage, red.) bezig met soep maken op haar verjaardag terwijl je dan normaal net verbinding met anderen zoekt? Anjo heeft wel familie en vrienden maar wil hen niet ten laste zijn. En dat doen we misschien allemaal wel te vaak, waardoor we van elkaar vervreemden.

Het viel me ook op dat jullie beider werk zich afspeelt op zwoele zomerdagen. Is dat omdat jullie voor DEMarrage vooral schreven in de zomer of zit er meer achter?

Angelika: Bij mij heeft het voor heel wat inspiratie gezorgd dat ik op kantoor zat in de zomer. Wat er in jouw persoonlijke omgeving gebeurt, is vaak de eerste trigger en daarna ga je dat onderzoeken. Terwijl het buiten snikheet was, moest ik op kantoor in mijn trui werken door de koude van de airco. Een bizarre situatie die zoveel associaties oproept: met het klimaat, mijn eigen natuurlijke staat die buiten in de zomer wilde zijn…

Hanne: Ik was al begonnen aan mijn tekst in maart, toen het nog niet heet was, maar ik wilde wel een Belgische zomer als setting. Dat is zeker een knipoog naar de klimaatcrisis, maar ik zocht vooral een absurd contrast met de hete soep die het hoofdpersonage wilde maken. Het mocht geen gazpacho zijn, in ieder geval.

Angelika Geronymaki

Angelika Geronymaki

Angelika, in jouw poëzie ondergaan de personages een ecologische deconstructie tot ze in ‘Green reset’ volledig ontbonden zijn. Maar ontstaat er ook iets anders?

Angelika: Mijn poëzie gaat om het tegennatuurlijke van de mens. Ons leven is erg kunstmatig vormgegeven, terwijl de natuur gewoon beweegt en doorleeft. En als je er wordt door opgenomen, kan je een onderdeel worden van die kringloop. In die zin kom je dan pas echt tot leven. Maar als mens doen we er alles aan om tegen die natuur te werken. Denk aan alles wat we doen dat de klimaatcrisis bevordert, maar ook dat we ons laten opsluiten in een kantoorruimte met airco. Er zijn zoveel regels die ons leven dicteren, die het mogelijk maken om samen te leven maar die ook wel bizar zijn. Misschien ben je wel gelukkiger wanneer je dat allemaal loslaat, je in een bos gaat liggen en je laat opnemen door de natuur.

Hanne: Dat opgaan in de natuur lijkt me ook niet zonder kritiek te gebeuren in jouw poëzie, Angelika. In ‘Green reset’ schrijf je: “Escapisme verkoopt als warme broodjes, zelfs hier is een afzetmarkt”. We lijken niet te ontsnappen aan het laatkapitalisme.

Angelika: Maar het lukt uiteindelijk wel in mijn laatste gedicht. Door… dood te gaan. Een best wel duistere gedachte, hoewel ik toch eerder een vrolijke persoonlijkheid heb.

Jouw verhaal, Hanne, is behoorlijk pessimistisch. Je hoofdpersonage lijkt eenzaam verloren te lopen in een collectief van individuen. Maar ook jij lijkt me eerder vrolijk, hoe rijm je dat?

Hanne: Ik zou me omschrijven als een vrolijke pessimist. Anjo weerspiegelt misschien hoe ik mij vroeger voelde. Enerzijds leef je in een systeem dat averechts werkt en veel mensen pijn doet, anderzijds heb je een persoonlijke nood aan verbinding. Als die twee niet goed zitten, dan heb je ongelukkige mensen. Waar ik mij nu richt op wat ik in de hand heb en daardoor verbinding zoek, zit mijn hoofdpersonage nog vast. Zij draagt de last van de wereld en van zichzelf. De tekst is een start van een novelle, dus ik hoop dat Anjo toch nog een opgewektheid vindt.

Angelika: Ik merk in jouw hoofdpersonage ook erg veel schuldgevoel. Er zijn mensen die schuld externaliseren, alles ten laste leggen van de maatschappij, en anderen die die schuld net internaliseren en daaronder gebukt gaan.

Hanne: Schuld kenmerkt Anjo in mijn verhaal. Zij groeide op bij ouders die haar heel bewust hebben gemaakt van de klimaatcrisis, waardoor ze onder meer een ‘klimaatschuld’ ontwikkelde.

Een ander thema dat jullie bindt, is een onderzoek van het vrouwenlichaam en seksualiteit.

Hanne: Anjo is een seksueel personage en wil met haar lichaam fijne dingen doen, maar ze slaagt daar niet in en verliest zich wederom in schuldgevoelens. Het blijft erg moeilijk om als vrouw met je lichaam je ruimte in te nemen in de samenleving. We internaliseren al op jonge leeftijd een externe blik. Je kan die ruimte pas innemen door ze actief op te eisen.

Angelika: En in sommige plaatsen, zoals op kantoor, is het zelfs niet de bedoeling dat je enige lijfelijkheid toont. Je seksualiteit moet je aan de deur laten, zelfs je emoties. Het wordt formeel geneutraliseerd en er is geen ruimte voor tegenbeweging. Orde, rationaliteit en controle zijn kantoorkenmerken die ook als typisch mannelijke eigenschappen gezien worden. De personages in mijn poëzie zijn seksueel als protest, het zijn vrouwen

die zich via hun lichaam en instincten verzetten tegen een construct dat hen beperkt.

Iets heel anders, wat is jullie schrijfmethode? Hoe gaan jullie te werk?

Angelika: ‘Green reset’ begon als kleine monoloog in een toneelstuk dat ik schreef en regisseerde, ik breidde het uit in proza, maar voel me meer thuis in poëzie, dus ik abstraheerde het prozastuk en maakte er gedichten van. Voor ‘Kantoortuin’ ging ik meer als gewoonlijk te werk: ik pik iets absurds op en buit dat helemaal uit. Ik ga dan op zoek naar associaties en inspiratie, van documentaire, tot filosofisch essay tot Signal-groepsdiscussies. Zo zag ik op aanraden van mijn coach (Iduna Paalman, red.) de fictieserie ‘Severance’ waar werknemers hun werk- en privéherinneringen laten scheiden, met gevolgen voor hun vrijheid en hun kantoorbestaan. Ik verzamel heel veel informatie en uit de naschokken komen dan uiteindelijk mijn gedichten.

Hanne: In de eerste weken ben ik enthousiast en schrijf ik neer wat er in mij opkomt. Daarna ga ik er met wat meer afstand naar kijken en begin ik het aan elkaar te schrijven. Wanneer ik aan het schrijven ga, gaat een ‘sensor’ openstaan. Ik ben dan heel opmerkzaam en probeer ervaringen of dingen die anderen vertellen te verwerken in mijn tekst.

Hoe gebruiken jullie humor in jullie werk? Ik lees bijvoorbeeld in ‘Kantoortuin 4’ van Angelika: “De mijne pist om zijn territorium te markeren, ik pis mee om ook iets te kunnen bezitten. Nu heb ik twee dingen, een pup en zompige grond.” Gebruik je het hier om het absurde te benadrukken?

Angelika: Dat fragment is eigenlijk uit de absurde realiteit gegrepen. Ik haalde mijn inspiratie voor dat gedicht uit een documentaire waarin werknemers van een kantoor hun hond naar het werk mogen meenemen om de stress te verlagen. Dat zorgt voor gekke situaties, zoals een vergadering waarbij een van de hondjes de vloer onder plast… Het legt weer dat tegennatuurlijke van de strikte regels die we onszelf opleggen bloot. De honden in de documentaire doorbreken die kantoorregels totaal, de werknemers raken in de war van hoe ze zich daartoe moeten verhouden.

Bij jou lees ik veel ironie in ‘Staafmixer’, Hanne. Doe je dat bewust?

Hanne: Dat denk ik niet. Dit verhaal was echt een oefening in personageopbouw voor mij. En daarvoor heb ik sterk naar mijn omgeving gekeken, naar de mensen rondom mij. En dan moet je toch toegeven dat de meeste mensen best grappig zijn, of absurde kenmerken hebben die voor iedereen herkenbaar zijn. Zoals de vader van Anjo die driftig duim-emoji’s zet bij foto’s van de bonte specht. Doordat ik in deze tekst meer in de personages ben gedoken, is er automatisch meer humor.

Angelika: Ik denk dat we allebei de humor van de absurde realiteit inzien.

Hanne: Precies, als je daar even afstand van neemt, zie je dat gemakkelijk. Dat overkomt me altijd bij Nieuwjaar. We hebben afgesproken dat het middernacht is, een fictieve kalender wordt omgedraaid en we dit ook nog moeten vieren. Dat is toch absurd?

Angelika: En tegelijk wil je er ook aan meedoen. Als je alleen een metapositie inneemt, zal je je snel alleen en ongelukkig voelen. Het hoort bij het mens-zijn: via die gekke regels zoeken we elkaar op. En zo gaat het uiteindelijk toch om verbinding zoeken...