Image by Silke from Pixabay. Free for use under the Pixabay Content License.
Als we ons inbeelden dat de allereerste dag van het bestaan van de Aarde (4,6 miljard jaar geleden) samenvalt met de allereerste dag van het jaar, 1 januari om 00:00:00, dan zouden we merken dat de eerste prokaryotische cellen, de cellen zonder celkern, verschijnen op 12 februari om 21:07:12 (4 miljard jaar geleden). De eerste fototrofe bacteriën, de bacteriën die aan fotosynthese doen, ontstaan dan op 18 maart om 06:29:31 (3,6 miljard jaar geleden), gevolgd door het eerste grote oxidatie‑evenement op 14 juni om 04:46:33 (2,5 miljard jaar geleden), waarbij het zuurstofgehalte op Aarde steeg naar 1% en het leven zoals we dat vandaag kennen mogelijk werd. Aan het begin van de winter, op 21 december om 22:45:07 (100 miljoen jaar geleden), verschijnen de eerste zoogdieren op Aarde. Vanaf dat moment gaat alles snel: op tweede kerstdag, 26 december om 02:06:00 (60 miljoen jaar geleden), zijn we getuige van het trieste uitsterven van de dino’s, en slechts enkele dagen later, op 31 december om 02:06:00 (11 miljoen jaar geleden), ontmoeten we de laatste gemeenschappelijke voorouder van de chimpansee en de mens. Aan het einde van de laatste dag van het jaar, rond 22:14:52 (774.000 jaar geleden), kunnen we de opkomst van de Homo sapiens aanschouwen, en slechts 0,8 seconden voordat het vuurwerk wordt ontstoken, om 23:59:59,2, wordt het eerste plastic, bakeliet, uitgevonden, in 1907.
De plasticproductie komt in een stroomversnelling tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, wanneer ten behoeve van de oorlogsindustrie alternatieven worden gezocht voor de schaarse natuurlijke grondstoffen. Na de oorlog gingen plasticproducenten op zoek naar nieuwe markten. In plaats van nieuwe producten op de markt te brengen, vervingen plastics veelal bestaande producten door goedkopere en meer toegankelijke alternatieven. Plastic bracht een revolutie teweeg in verpakking, opslag en transport, ze democratiseerden consumptie, en creëerden zo de voorwaarden voor de ontwikkeling van de consumptiemaatschappij. Sindsdien is de plasticproductie geëxplodeerd. De wereldwijde jaarlijkse plasticproductie steeg van twee miljoen ton per jaar in 1950 tot 459,75 miljoen ton per jaar in 2019. In 2019 bereikte de cumulatieve plasticproductie 9,49 miljard ton, waarvan voorspeld werd dat dit zou stijgen tot 41,9 miljard ton in 2060.
Plastics vertegenwoordigen de tijdsgeest van de moderne samenleving. Ze dragen de belofte van overvloed en toegankelijkheid in zich, van technologisch optimisme en maakbaarheid. Beschikbaarheid is niet langer afhankelijk van tijd of afstand. Of het nu gaat om voedsel dat de wereld rondreist en zijn houdbaarheid dankt aan plastic verpakkingen, of de met polymeren beklede kabels die de aarde als een spinnenweb omspannen voor communicatie, dataverkeer en elektriciteit; alles ligt binnen handbereik. Plastics faciliteren een verschuiving van een wereld van schaarste naar een wereld van overvloed. Bovendien stellen plastics ons is staat om de afbakening tussen mens en natuur absoluut te maken; ze maken het mogelijk om alles wat kruipt en groeit, geurt en lekt, hermetisch te verpakken, steriel af te sluiten, buiten ons gezichtsveld te plaatsen, en op die manier buiten ons bewustzijn.
Maar die moderne droom heeft ook een keerzijde. Ze staat ook voor een wereld van afval en snel verval, van vervuiling en toxiciteit, van ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Want hoe hard we ook geloofden dat we de externaliteiten van de plasticdroom buiten ons gezichtsveld konden plaatsen, ze glippen steeds meer door die kunstmatige barrières heen, en doordringen alle aspecten van het leven.
Er is niet één soort plastic; plastics vormen een diverse groep van synthetische en semisynthetische materialen, gemaakt van polymeren. Hun gemeenschappelijke deler is hun plasticiteit; het vermogen om te vervormen tot eender welke denkbare vorm. Daarnaast bevatten plastics steeds additieven, chemicaliën toegevoegd tijdens het productieproces om het materiaal de gewenste eigenschappen te geven, zoals weekmakers, brandvertragers, stabilisatoren en kleurstoffen. Hoewel er slechts een 50-tal verschillende polymeren zijn, worden daaruit naar schatting wel 60.000 verschillende soorten plastic geproduceerd.
Volgens Gay Hawkins (2013) is afvalproductie inherent aan de plasticeconomie. Plastic afval is geen ongelukkige externaliteit of onvermijdelijk gevolg van veranderde materiaaleigenschappen of onverantwoord consumentengedrag, zoals vaak wordt beweerd. In tegendeel, wegwerpbaarheid is een fundamentele eigenschap van plastic voorwerpen; deze objecten zijn gemaakt om afval te worden. Bovendien is afvalproductie cruciaal voor een kapitalistische economie. Zonder de constante beweging van voorwerpen van het domein van de gebruikswaarde naar het domein van afval, komt de circulatie van waarde tot stilstand, en stort de kapitaalaccumulatie in.
Van de 8,3 miljard ton plastic die tussen 1950 en 2015 geproduceerd werd, is nog slechts 30% in gebruik. Dit betekent dat de overige 70% (5,8 miljard ton) afval is geworden. Van al dit afval komt 84,5% op stortplaatsen terecht, wordt 12,1% verbrand en wordt slechts 8,6% gerecycleerd. Bovendien wordt 80% van de gerecycleerde plastics uiteindelijk ook weggegooid of verbrand. Volgens schattingen zal de totale jaarlijkse plastic afvalproductie stijgen van 353,39 miljoen ton in 2019 naar 1,01 miljard ton in 2060. Hoewel absolute recyclagecijfers toenemen, zal de hoeveelheid plastic afval die jaarlijks op stortplaatsen of in het milieu terecht komt ook blijven stijgen, van 253,2 miljoen ton in 2019 naar 659,1 miljoen ton in 2060.
Plastics zijn veelvuldige vervuilers. De organisatie CIEL (Center for International Environmental Law) onderzocht de milieu-impact van plastics langsheen hun volledige levenscyclus, gaande van de grondstofextractie, de productie en het transport, tot hun gebruik en de afvalfase. Fossiele brandstoffen, gewonnen door middel van boringen en fracking, zijn de bouwstof van 99% van alle plastics die gemaakt worden. Fracking is nefast voor alle aardse ecosystemen, gaande van veranderingen in landbedekking, grootschalige vervuiling, verstoring van water- en biogeochemische cycli en verhoogde risico’s op erosie en aardbevingen, tot sociaal-economische en gezondheid gerelateerde gevolgen. Tijdens de raffinage van de fossiele grondstoffen en de productie van de plastic producten, komen chemicaliën en plastic pre-productiekorrels vrij. Ook tijdens het consumentengebruik komen zowel plasticdeeltjes in de vorm van micro- en nanoplastics vrij, als de chemicaliën die werden toegevoegd aan het plastic om het de gewenste eigenschappen te geven, zoals zware metalen, persistente organische polluenten, kankerverwekkende stoffen en hormoon verstorende chemicaliën. Aan het einde van hun gebruik komt een groot deel van de plastics in het milieu terecht. Hier laten opnieuw ze die chemische additieven los. Maar ook zelf vallen ze, onder invloed van weer en wind, uiteen in steeds kleinere fragmenten, de micro- en nanoplastics. Voor de plastics die niet in het milieu terecht komen, kan de afvalverwerking onder de loep worden genomen. De verbranding van plastic afval gaat gepaard met de uitstoot van broeikasgassen en giftige chemicaliën, terwijl recyclage een grondstof en energie intensief proces is dat eveneens gepaard gaat met de uitstoot van giftige chemicaliën. Tot slot worden bijna in elke stap van de plasticlevenscyclus broeikasgassen uitgestoten. In 2019 werd geschat dat de totale jaarlijkse uitstoot langsheen de plastic levenscyclus 0,86 Gt CO₂-eq bedraagt, een waarde waarvan voorspeld werd dat die zal stijgen tot 2,80 Gt CO₂-eq per jaar in 2050, wat zou neerkomen op 13% van het globale koolstofbudget.
Milieuvervuiling weerspiegelt en reproduceert vaak structurele ongelijkheden. Plastic en plasticvervuiling kunnen dienen als vergrootglas op deze mechanismen. Vervuilende industrieën, zoals de winning van fossiele brandstoffen, stortplaatsen en verbrandingsinstallaties, bevinden zich onevenredig vaak in de buurt van kwetsbare gemeenschappen. Fracking kent naast haar impact op het milieu ook meervoudige gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor werknemers. De afvalverwerkingssector behoort tot de vijf gevaarlijkste beroepen in de Verenigde Staten (34,1 doden per 100.000 werknemers). Bij de verbranding van afval worden zowel werknemers en omwonenden voortdurend blootgesteld aan giftige dampen. Zelfs ‘groenere’ afvalverwerkingstechnologieën, zoals verbranding met energierecuperatie of recyclage, produceren giftige restassen en luchtverontreiniging. Het is veelvuldig empirisch aangetoond dat de consumptiepatronen in rijkere landen samengaan met de verplaatsing van afval en vervuiling naar hun periferieën. Een analyse van het EU-consumptiepatroon tussen 1995 en 2019 toonde aan dat grote delen van de milieu-impact werden verplaatst naar buiten de EU, terwijl 85% van de economische voordelen binnen de EU bleef. Die patronen zien we ook terug in de wereldwijde handel in plasticafval. De export van plasticafval geproduceerd in het Globale Noorden naar landen in het Globale Zuiden met vaak inadequate afvalinfrastructuur, leidt tot gevaarlijke afvalverwerkingspraktijken, een grote informele afvalsector waar onbeschermde werknemers worden blootgesteld aan giftige chemicaliën, en afval dat zich opstapelt in woongebieden en het milieu. De wereldwijde afvalhandel louter vanuit financieel perspectief bekijken, waarbij importeurs afval gebruiken voor grondstoffenrecuperatie of de recyclage industrie om zo lokale economieën te versterken, miskent de ecologisch ongelijke uitwisselingsdynamiek, die milieuschade externaliseert, ongelijkheden versterkt en gezondheids- en vervuilingsrisico’s creëert voor kwetsbare gemeenschappen die te maken hebben met plasticafval en de plasticafvalindustrie.
Marco Armiero ontwikkelde het concept van het Wasteoceen als reactie op, en uitbreiding van, het Antropoceen, om de blinde vlekken te bekritiseren voor de sociale, historische, raciale en genderdimensies die spelen in de hedendaagse ecologische crisis. Armiero citeert Dipesh Chakrabarty:
Of we nu spreken over radioactief afval uit geïndustrialiseerde landen, of over het afval van een huishouden of dorp in India: ‘vuil’ kan alleen terechtkomen op een plek die wordt aangewezen als ‘de periferie’.
De beslissingen over welke lichamen en landschappen ‘vervuilbaar’ zijn, kunnen we dus pas begrijpen als we niet enkel de materiële eigenschappen van afval bestuderen, maar ook de sociaalecologische relaties die door afval worden gevormd en gereproduceerd. Ook Max Liboiron stelt in hun boek Pollution is Colonialism dat de veronderstelling dat materialen wegwerpbaar zijn, impliceert dat er aanspraak kan worden gemaakt op land om ze weg te werpen. Zonder de infrastructuur die de toegang tot land verzekert, bestaat er geen wegwerpbaarheid.
De plasticindustrie is een miljarden economie. Ze heeft een structurele macht die overheden terughoudend maakt om strengere regelgeving op te leggen, uit angst deze industrieën te verliezen. Daarnaast beïnvloedt de plasticindustrie besluitvorming en regelgevingsprocessen. Tijdens de VN-onderhandelingen in augustus 2025, over een internationaal bindend plastic verdrag, waren de lobbyisten uit de olie-, petrochemische en plasticindustrie talrijker dan de delegaties van alle EU-lidstaten én de delegaties van wetenschappers en inheemse gemeenschappen samen. Verder kan de verschuiving naar pro-plastic, anti-regelgeving narratieven worden begrepen als de discursieve dimensie van industriële macht. Er worden talloze strategieën ingezet om deze verschuiving te realiseren. Alice Mah bestudeert in haar werk de belangen van de plasticindustrie, zijnde aanhoudende groei in een kapitalistische economie, en hun strategieën om deze te beschermen.
Een klassieke strategie is het in twijfel trekken van de negatieve impacts van plastic. Bijvoorbeeld door twijfel te zaaien over wetenschappelijk aangetoonde toxische effecten of te beweren dat er onvoldoende wetenschappelijk consensus is. Ook wordt plastic geframed als een duurzaam materiaal, bijvoorbeeld door te wijzen op lichtgewicht verpakkingen, relatief lagere transportemissies, of het gebruik van kunststof materialen die vliegtuiggewicht en zo uitstoot verminderen. Dat deze relatieve winsten in efficiëntie in het niets verdwijnen naast de energie en grondstof intensieve plastic productie en afvalverwerking, wordt voor het gemak even onder de mat geveegd.
Voor de niet-te-ontkennen wijdverspreide vervuiling van plastics legt de industrie graag de schuld bij de consument, die onverantwoord consumeert en fout sorteert. Een veelzeggend voorbeeld is de Keep America Beautiful campagne, op initiatief van Coca-Cola, PepsiCo en Exxon Mobil, met slogans als “People start pollution – people can stop it”. Op die manier verschuift de framing van de plastic-crisis succesvol van een productieprobleem naar een afval-management probleem. De plasticindustrie omarmt en ondersteunt dan ook dankbaar de initiatieven die deze framing mee in stand houden, waarbij ze zichzelf kunnen positioneren als innovators in ‘groene technologie’. De meest populaire technologische oplossing, recyclage, is gebaseerd op de mythe dat plastic eenvoudig te recycleren is, en dus duurzaam geproduceerd en beheerd kan worden. In werkelijkheid wordt wereldwijd slechts 9% van alle plastic gerecycleerd. Hoewel de recyclage capaciteit blijft stijgen, kan ze de steeds toenemende productie onmogelijk bijbenen. Bovendien gebruikt recyclage veel energie en grondstoffen, terwijl de materiaalkwaliteit systematisch verslechtert en de toxiciteit toeneemt. Ook technologieën om plastic in het milieu ‘op te kuisen’ worden enthousiast ontvangen. Zo wordt The Ocean Cleanup gefinancierd door o.a. Deloitte, Coca-Cola en PrimoBrands, bedrijven die geen belang hebben bij het in vraag stellen van de groei van de plasticindustrie. Bovendien worden deze technologieën geplaagd door technologische beperkingen, grote milieu-impacts, en een lage relatieve efficiënties, terwijl ze mee de illusie in stand dat vervuiling simpelweg kan worden opgeruimd.
Mijn onderzoek richtte zich op de ecotoxicologische impacts van plastics in het mariene ecosysteem. Er werd geschat dat in 2019, 22 miljoen ton plastic in het milieu terecht kwam, waarvan 6.1 miljoen ton in aquatische ecosystemen. In 2019 werd geschat dat er in de zee een totale hoeveelheid van 30 miljoen ton plastic aanwezig was. Welbekend zijn de trieste beelden van de schildpad met een oorstokje in zijn neus, de door visnetten verwonde zeehondjes en de met plastic gevulde vogelmagen. Maar ook de kleinere, veelal onzichtbare plastics, de micro- en nanoplastics, worden aangetroffen op vrijwel iedere locatie die vandaag wordt onderzocht. Gaande van de diepzee tot desolate bergtoppen, van landbouwgronden tot binnenhuiskamers. Micro- en nanoplastics worden aangetroffen in regendruppels die ze meevoeren naar afgelegen gebieden, en in de wind die ze oceanen over blaast. De opname van micro- en nanoplastics is aangetoond bij alle onderzochte organismes langsheen de voedselketen, gaande van algencellen en plantenwortels, tot ongewervelde en gewervelde diersoorten. Door de depositie van plastics als sedimentair materiaal worden ze ondertussen teruggevonden in afzettingen en gesteentelagen, wat heeft geleid tot een groeiende consensus om een nieuw tijdperk binnen het zogenaamde Antropoceen aan te duiden, het Plasticeen. Maar het toppunt van de invasie van deze partikels wordt gevonden in het bevragen van de ondoordringbaarheid van het menselijk lichaam. Plastics worden in ieder onderzocht orgaan aangetroffen: in de lever, nieren en longen, in testikels en de placenta, in bloed, urine, sperma en moedermelk. Het ultieme samenvallen van de vervuiler en de vervuiling wordt werkelijkheid. De mens zelf is synthetisch geworden.
In het bespreken van de effecten van deze partikels, is het handig om een onderscheid te maken op basis van hun grootte, waarbij we de macroplastics (> 5 mm) onderscheiden van de micro- en nanoplastics of MNPs (respectievelijk tussen 0.001-5 mm en < 0.001 mm). Hoewel dit een eerder arbitrair onderscheid is, en er een zekere overlap bestaat in de mechanismes waarmee ze effecten vertonen, zijn er specifieke eigenschappen van MNPs die deze categorisering rechtvaardigen. Zo bijvoorbeeld hun hoge oppervlakte-volumeverhouding waardoor ze relatief gezien zeer reactief zijn, maar ook het feit dat deze groottecategorie passage door biologische barrières mogelijk maakt. Bovendien doen MNPs extra alarmbellen afgaan omwille van hun voorspelde hoge concentraties in het milieu. Wanneer plastic objecten in het milieu terechtkomen zullen ze uiteenvallen in steeds kleinere fragmenten, bijvoorbeeld door de inslag van golven, degradatie door zonnestraling, microbiële interacties of temperatuurschommelingen. Wanneer, uit het leven gegrepen, een lege PET-fles met een gewicht van ongeveer 39 gram, in het mariene milieu volledige fragmenteert tot kleine MNPs met een diameter van 250 µm, een proces dat weliswaar vele jaren duurt, zou dit resulteren in een 3,6 miljoen afzonderlijke plastic partikels. Wanneer ook deze partikels verder uit elkaar vallen in partikels met een diameter van 1 µm, zou dit resulteren in een totaal van 5,6 biljoen (5.600.000.000.000) afzonderlijke partikels, allemaal aanwezig in het milieu, allemaal in staat om in interactie te treden met organismes.
Wereldwijd worden effecten gerapporteerd van de grote macroplastics voor mariene megafauna, zoals vissen, zeezoogdieren en zeevogels, gaande van inname en uithongering door blokkades in het maag-darmkanaal, tot verstrikking, verdrinking, en fysieke letsels die resulteren in verzwakking, ziektes en sterfte. Ghost fishing is een tot de verbeelding sprekende term voor het fenomeen waarbij mariene organismen verstrikt raken in verloren en achtergelaten visnetten en sterven door uithongering, predatie, kannibalisme of ziekte. Ook de minuscule MNP’s hebben diverse effecten op mariene organismes, gaande van afgenomen groei, verminderde ontwikkeling en gedragswijzigingen, tot effecten op voortplanting en sterfte. MNPs kunnen fysieke schade berokkenen, zoals blokkades van het spijsverteringsstelsel of uitwendige schade na contact. Daarnaast zijn er ook de indirecte effecten, veroorzaakt door de in MNP aanwezige chemicaliën, zoals zware metalen, bisfenolen of PFAS. Bovendien kunnen plastic partikels dienstdoen als groeiplaats voor ziekteverwekkende of antibiotica-resistente bacteriën, en ze zo verder verspreiden.
Mariene ecosystemen zijn complexe netwerken van relaties tussen soorten, en tussen soorten en hun omgeving. Invloeden van MNPs op individuele organismes zijn dus zelden geïsoleerde gebeurtenissen, maar kunnen volledige voedselwebben en ecosystemen destabiliseren. Mijn eigen doctoraatsonderzoek illustreerde hoe MNPs de ecologie van algen en plankton kunnen beïnvloeden en op die manier de mariene koolstofpomp kunnen verstoren. Dit proces, dat koolstof van de oceaanoppervlakte naar de diepzee transporteert, speelt een sleutelrol in de globale koolstofcyclus en klimaatregulatie. Deze resultaten toonden dus hoe minuscule partikels grootschalige gevolgen kunnen hebben, en benadrukten de verbondenheid tussen lokale vervuilingsproblematieken, en globale klimatologische processen.
Wanneer ik vertel over mijn doctoraat kan ik erop rekenen dat vroeg of laat iemand vraagt wat de oplossing dan is. Er gebeurt immers toch zo veel veelbelovends rond innovatieve bio-based plastics? Kunnen we ons dan geen weg uit deze crisis recycleren? En wat die sympathieke Nederlander die zegt dat hij de oceaan zal kuisen met grote visnetten?
Plastics zijn alomtegenwoordig, en hebben grootschalige effecten op de mens en natuurlijke ecosystemen. Zelfs als de input van plastic in het milieu vandaag stopt, zal hun impact de komende decennia blijven toenemen. Enerzijds door het uiteenvallen van plastics in het milieu in steeds kleinere fragmenten in steeds grotere getallen, maar ook door het voortdurend lekken van toxische chemicaliën uit deze plastics. Naar de uitgestelde effecten van huidige vervuiling wordt verwezen met de term toxicity debt, de onvermijdelijke prijs die toekomstige generaties zullen betalen voor wat we vandaag vervuilen. En zelfs als op miraculeuze wijze een manier wordt gevonden om efficiënt plastic uit het mariene milieu te verwijderen, zonder bijkomende schade te berokkenen aan mariene ecosystemen, kunnen opruimacties niet effectief zijn zolang de instroom van plastic naar het milieu niet stopt. Oplossingen voor de plastic crisis moeten zich dus eerst en vooral richten op het verhinderen van toekomstige vervuiling.
Het definiëren van preventieve oplossingen voor de plasticcrisis leidt onvermijdelijk tot discussies, gaande van de manier waarop het probleem wordt geframed (vb. producent- versus consumentverantwoordelijkheid, afval- versus productieprobleem), tot de voorgestelde oplossingen (vb. technologische oplossingen versus systemische veranderingen), en heeft dus een inherent politiek karakter. Sarewitz bekritiseert de scientisatie of de verwetenschappelijking van milieuvraagstukken, hij stelt dat we milieuproblemen niet mogen benaderen als puur wetenschappelijke kwesties, maar als expliciete discussies over waarden en normen. Dat is geen anti-wetenschappelijk standpunt, maar een pleidooi voor een wetenschap die ondersteunt zodra politieke consensus is bereikt. Dit geldt ook voor plastic(vervuiling). De oplossingen die we formuleren, weerspiegelen wat we verstaan onder een goed leven, welke risico’s we aanvaardbaar vinden, hoe we onze relatie met de natuur zien, en welke wereld we willen achterlaten voor volgende generaties. Dat zijn vragen die we niet in een laboratorium kunnen beantwoorden, maar expliciete onderhandelingen vereisen over waarden, belangen en doelen, waar al de belanghebbenden gehoord worden.
Hoewel heel wat voorgestelde oplossingen (zoals bijvoorbeeld het verbod op intentioneel toegevoegde MNPs en enkele single-use plastics in de EU, of de ontwikkeling van recylceerbare en biologisch afbreekbare plastics) bewonderenswaardig zijn, blijven deze ontoereikend zolang de systemen die de plasticcrisis veroorzaken en in stand houden niet in vraag worden gesteld. De term ‘polycrisis’ verwijst naar de systemische verstrengeling van meerdere, gelijktijdig optredende crises. Het benadrukt de onderlinge afhankelijkheden van globale systemen zoals het klimaat, voedsel en landbouw, biodiversiteit, afval en vervuiling, energie en transport, met geopolitieke en economische processen. Een voorbeeld is de interafhankelijkheid van de plastic- en de fossiele brandstof economie. Om tegen 2050 een netto nuluitstoot te bereiken, zoals vastgelegd in de klimaatakkoorden van Parijs (2015), moet ook de plasticindustrie worden aangepakt. Een ander voorbeeld is de verwovenheid met voedselsystemen. Plastic is zogenaamd onmisbaar geworden voor houdbaarheid en voedselveiligheid. Maar als je door de supermarkt loopt, zie je dat vooral de ultrabewerkte voeding ‘ultraverpakt’ is. De onderlinge afhankelijkheid van plastic verpakkingen en ultrabewerkt voedsel genereert winsten voor de agro-voedings- en petrochemische industrieën, ten koste van milieu en volksgezondheid, zoals recent werd benadrukt in rapporten in The Lancet (november 2025).
Wanneer we het dus hebben over ‘oplossingen’ voor de plastic crisis, kan dat niet zonder die systemische verstrengelingen te benoemen. Een eerlijke en inclusieve transitie vereist het ter discussie stellen van de dominante kaders die de onduurzame productie van plastic in stand houden. Het is een oefening in het verbeelden van alternatieven, van een transitie van economieën van groei en overvloed naar economieën van sufficiëntie en zorg.
Hoe kunnen we dus plastic begrijpen? Plastic is een gematerialiseerde paradox: het belichaamt een droom van overvloed, maar resulteert in een giftige smog. Het is steriel, maar vormt tegelijk een habitat voor micro‑organismen. Het is sterk, maar valt uiteen in steeds kleinere fragmenten. Alomtegenwoordig, maar onzichtbaar. Plastic voorwerpen, ogenschijnlijk zonder geschiedenis, bestrijken tijdspannes die het menselijk brein onmogelijk kan bevatten. We koesteren utopische verwachtingen van wat plastic kan betekenen, maar verachten het tegelijkertijd, omdat we het associëren met goedkoopheid, namaak en oppervlakkigheid. Plastic wordt gevierd om de technologische vooruitgang die het mogelijk maakt, maar wordt steeds meer geassocieerd met afval, vervuiling en toxiciteit. Deze paradoxen, de manier waarop plastic in de samenleving is ingebed, dwingen ons om de keerzijde te onderzoeken van wat zichtbaar is. Het verplicht ons, wanneer we plasticvervuiling bestuderen, om ook het eraan verbonden economische systeem van overvloed onder de loep te nemen. We kunnen plastic begrijpen als een symbool van het moderne vooruitgangsproject, dat blinkt aan de voorkant, maar rot is aan de achterkant.
MARIE SIOEN is bio-ingenieur van opleiding en rondde in 2025 haar doctoraat af aan de Universiteit Gent. Ze deed onderzoek naar de ecotoxicologische impact van micro- en nanoplastics in mariene ecosystemen.