119

Over vooruitgang wordt te vaak verteld als was het een eenrichtingsverkeer: van schaarste naar overvloed, van improvisatie naar systeem, van barbarij naar beschaving, van het Zuiden naar het Noorden. Wat ‘onderontwikkeld’ heet, wordt begrepen als een eerder stadium van wat wij hier in Europa al hebben bereikt: een achterstand die op termijn wordt ingehaald zodra de juiste technologie of infrastructuur wordt ingezet. In dit essay wil ik die richting ter discussie stellen, want als we hoopvol naar de toekomst willen kijken, moet dit dominant narratief op de schop. Het uitgangspunt is behoorlijk vanzelfsprekend maar blijkt toch niet te zijn wat we onszelf al enkele eeuwen hebben wijsgemaakt. We staan als mens dan toch niet boven of buiten de natuur, maar we staan er fundamenteel in. We zijn een inherent onderdeel van een complex netwerk van levens op aarde.

De Franse bioloog Olivier Hamant onderzoekt al jaren waarom levende systemen, van planten tot ecosystemen, structureel weigeren te optimaliseren, en wat die weigering ons leert over veerkracht in een wereld die niet stabiel is maar voortdurend fluctueert. Zijn onderscheid tussen performance en robuustheid biedt een verhelderende woordenschat om te begrijpen waarom plekken die vaak worden weggezet als achterblijvers van de zogenaamde vooruitgang, in werkelijkheid systemen hebben ontwikkeld die beter zijn toegerust op instabiliteit dan wat Silicon Valley ons ooit kan bieden. Wat volgt, is geen pleidooi om armoede of staatloosheid te romantiseren, maar een poging om te laten zien dat wat oogt als gebrek of zwakte, zoals bijvoorbeeld traagheid, redundantie, inefficiëntie en improvisatie, vanuit het perspectief van hoe levende organismes functioneren, net de eigenschappen zijn die overleven en samenleven mogelijk maken.

Optimaal

Er bestaan twee manieren om een systeem te bouwen. De ene optimaliseert: ze kiest één doel, elimineert overbodigheid, en jaagt op efficiëntie tot er niets meer te snoeien valt. Dat is in essentie hoe we een machine ontwerpen. De andere aanvaardt onvolmaaktheid als voorwaarde voor overleven: ze stapelt redundantie op, omarmt traagheid, houdt meerdere opties tegelijk open, probeert en herbegint. Dat is hoe het biologische leven functioneert. Olivier Hamant noemt de eerste performance, wellicht best te vertalen als ‘prestatiegerichtheid’, de tweede robuustheid of stevigheid, en zijn kernstelling, gebaseerd op miljoenen jaren evolutie van planten en levende systemen, is dat het succesvolle leven nooit voor de eerste optie kan kiezen. Een plant werkt traag, inconsistent, is overvloedig redundant en fundamenteel suboptimaal. Wat een levend wezen en een machine van elkaar onderscheidt is precies dat, en juist dat maakt het leven bestand tegen een wereld die zelf nooit helemaal stabiel is. Zonder opvolging, zonder herstel, vergaat de machine, terwijl het leven blijft gaan.

Dat onderscheid is essentieel. Silicon Valley belichaamt performance in zijn zuiverste vorm: efficiëntie, optimalisatie voor één variabele, zoals schaal, groei, aandeelhouderswaarde, en dat in een wereld die wordt verondersteld stabiel genoeg te zijn om te optimaliseren. Die veronderstelling is een cruciale fout. We zijn dus niet langer too big to fail maar too big not to fail: hoe strakker een systeem is afgesteld op één ideaal scenario, hoe zekerder het instort zodra de wereld, die fluctuerend, onvoorspelbaar en vol schokken is, zich niet aan dat scenario houdt. Heel wat gemeenschappen in Kenia, Haïti en Congo hebben in de afgelopen eeuwen niet de luxe gehad om die fout te maken. Ze bouwden, overleefden en creëerden samenleving, niet ondanks instabiliteit, maar middenin instabiliteit en dat is precies waarom wat ze bouwden robuust is: suboptimaal, redundant, gedecentraliseerd, en daardoor bestand tegen een wereld die weigert stil te staan.

Suboptimaliteit als ontwerpprincipe

Hamant beschrijft robuustheid als het vasthouden aan meerdere, niet-hiërarchische doelen tegelijk, omdat een fluctuerende wereld geen vast optimum kent: het optimum verschuift voortdurend, dus leefbaarheid, het in leven blijven, telt zwaarder dan het bereiken van één scherp gedefinieerd doel. Hoe M-Pesa is ontstaan is daar een schoolvoorbeeld van, al werd het nooit als zodanig ontworpen. Formeel bankieren optimaliseert: het selecteert klanten met een sterke krediethistorie en documentatie, en sluit al de rest uit als ruis. In de vroege jaren 2000 merkten onderzoekers op dat in Uganda, Ghana, Botswana en Kenia beltegoed als schaduwvaluta begon te worden verhandeld. In zekere zin deden de mensen uit die landen het tegenovergestelde van optimaal bankieren. Ze gebruikten een infrastructuur die al bestond, zoals sms-systemen op de goedkoopste gsm-toestellen, een infrastructuur die nooit voor geldtransfer was bedoeld, en bogen ze om naar een nieuw doel zonder het oorspronkelijke systeem te herbouwen. Geen enkele ingenieur zou dit als efficiënte architectuur ontworpen hebben. Het was traag, informeel, indirect, redundant ten opzichte van ‘echt’ bankieren en precies daardoor gemakkelijk bruikbaar voor wie door elk geoptimaliseerd systeem werd uitgesloten. Safaricom en Vodafone formaliseerden die improvisatie in M-Pesa pas nadat ze organisch was ontstaan. Ze volgden de logica van robuustheid, ze vonden die niet uit.

Decentralisatie

Redundantie is dan geen verspilling maar verzekering: een systeem met meerdere, overlappende manieren om hetzelfde te bereiken is niet efficiënt, maar overleeft de uitval van elk afzonderlijk onderdeel. Decentralisatie, modulariteit en nabijheid zijn zo de pijlers van robuustheid, tegenover de centralisatie en de just-in-time-logica die prestatiegericht denken aanhangt. Haïtiaanse konbit-netwerken zijn decentralisatie in de praktijk: geen enkel centraal knooppunt, geen enkele staatsinstelling waarvan het hele systeem afhangt. Wanneer institutionele hulp faalt, vervangen lokale landbouwcollectieven haar niet door één nieuw centrum te bouwen, maar door talrijke kleine, overlappende netwerken, zoals sms-gebaseerde zaad- en gereedschapsverdeling, gedeelde arbeid, wederzijdse plicht, die elk apart kunnen falen zonder het geheel mee te sleuren. Dat is precies wat robuustheid omschrijft: het vermogen om schokken op te vangen in plaats van te vermijden. Konbit werd door Haïtianen niet ontworpen om rampen te voorkomen maar om er middenin te kunnen blijven functioneren.

Prestatiegericht denken zet ons aan om te vervangen wat niet langer optimaal presteert. Vandaar de wegwerplogica als symptoom van een systeem dat efficiëntie boven duurzaamheid stelt. De reparatiecultuur van Kinshasa of Goma staat daar radicaal tegenover. Congolese technici behandelen kapotte toestellen niet als afgeschreven, maar als herbruikbaar materiaal binnen een netwerk dat voortdurend zichzelf herconfigureert rond onstabiele stroomvoorziening en beperkte middelen. Dat is geen armzalige imitatie van ‘echte’ techniek. Het is eerder precies het soort circulaire, niet-hiërarchische aanpassing dat alle levende systemen kenmerkt: geen enkel onderdeel is heilig, alles kan worden hergebruikt, en het geheel blijft functioneren juist omdat het zich niet vastklampt aan één ontwerp.

Uit dit alles kan een sociaal-politieke consequentie afgeleid worden die rechtstreeks aansluit bij wat de Afrikaanse Ubuntu-filosofie al had ontwikkeld. In een stabiele wereld loont competitie, omdat er één optimum bestaat waarvoor je kunt strijden, maar in een fluctuerende wereld loont samenwerking, omdat overleven afhangt van gedeelde, aanpasbare capaciteit in plaats van individuele winst. Dit is letterlijk het besef dat alleen gedeelde, gedecentraliseerde veerkracht standhoudt wanneer het ‘te groot om te falen-systeem’ alsnog faalt. Dat is het verschil tussen de kapitalistische vraag hoe het individu of dit bedrijf materiële waarde vergaart en de Ubuntu-vraag hoe dit netwerk samen overleeft en gedijt. Robuustheid is dan de levensdrift zelf: het vermogen om levend te blijven te midden van permanente turbulentie, niet door de turbulentie te overwinnen maar door haar te incorporeren. En dat lijkt me een bijzonder hoopvolle boodschap in deze onzekere fluctuerende toekomst.

De omkering van duisternis

De ‘duisternis’ zoals we die terugvinden in bijvoorbeeld Conrads The Heart of Darkness kan gezien worden als een westerse of ‘witte’ projectie op die plekken waar prestatie, competitie en efficiëntie niet onmiddellijk zichtbaar zijn. Die duisternis hangt samen met een verhaal over Europese angst, geen beschrijving van Afrikaanse of Caribische werkelijkheid, noch van heksen of voodoo. Maar in het licht van een theorie van robuustheid krijgt de omkering van die metafoor een precieze betekenis. De plekken die de wereld duisternis noemt, zijn de plekken waar de fluctuatie immers nooit heeft opgehouden, waar geen enkel systeem de luxe kreeg zich te gedragen alsof de wereld stabiel is, wat ze nooit is geweest. Silicon Valley kon prestatie en competitie opleggen omdat het lange tijd kon doen alsof turbulentie een uitzondering was in plaats van de norm. Maar dat leidt net tot een wereld die steeds turbulenter en onvoorspelbaarder blijkt.

Dat is de kern van de omkering: het licht komt niet ná de duisternis, als beloning voor wie er lang genoeg in heeft volgehouden. Het licht is het product van wat de duisternis ons dwingt te leren: improviseren in plaats van optimaliseren, delen in plaats van vasthouden, blijven functioneren in al onze imperfecties in plaats van perfect functioneren. De wereld die nu, onder druk van klimaatontwrichting en geopolitieke instabiliteit, massaal fluctuerend wordt voor iedereen, heeft dat soort systemen nodig. En die systemen bestaan al. Ze zijn alleen nooit als vooruitgang herkend, omdat vooruitgang, in de dominante definitie, altijd prestatie en competitie betekent. De taak is dus niet om deze plekken vooruitgang te brengen. Het is om te zien dat het antwoord op een fluctuerende wereld al bestaat en het niet langer te zien als ‘onderontwikkeld’ of ‘primitief’.

Het biologische leven kiest zelf al miljoenen jaren voor robuustheid boven prestatie en die keuze is geen noodoplossing maar een overlevingsstrategie voor een wereld die nooit stilstaat. Tal van onopgemerkte initiatieven en praktijken in het zogenaamde mondiale Zuiden of in de achterbuurten van rijke steden, zijn geen tekenen van achterstand, neen, het zijn precies die suboptimale, redundante, gedecentraliseerde systemen die een fluctuerende wereld vereist. De duisternis die het koloniaal-kapitalisme in deze plekken meent te zien, is de ontkenning van de robuustheid noodzakelijk om met succes te leven en te gedijen in een fluctuerende wereld. Het licht dat eruit voortkomt, is dan ook geen belofte voor later, maar een les die er nu al is.

Bio

Sibo Kanobana is hoofddocent sociolinguïstiek en cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit van Nederland. Hij is coauteur van de Bastaards van onze kolonie. Verzwegen verhalen van Belgische metissen (2010), samensteller van de essaybundel Zwarte bladzijden. Afro-Belgische reflecties op Vlaamse (post)koloniale literatuur (2021) en auteur van Witte orde. Over ras, klasse en witheid (2024) en Lumumba’s droom. Wat zijn gedachtegoed ons vandaag kan leren (2025). Hij was redacteur bij rekto:verso van 2016 tot 2024 en in samenwerking met Matthias De Groof en Laura Nsengiyumva samensteller van rekto:verso's nummer Tervurologie (juni 2025) met verschillende creatieve en kritische bijdragen over het AfricaMuseum in Tervuren.