13, 1/2026

Een meanderende tocht bracht historicus en schilder Koen Broucke en auteur Annick Lesage tot de papieren nalatenschap van amateurspeurder Hilda Leynen en haar obsessie met De rechtvaardige rechters. Broucke en Lesage raakten gefascineerd door het associatief zoeken dat Leynens speurtocht kenmerkte en naar de wijze waarop die verliep. De inleiding op de archiefinventaris van Leynen doorprikt onmiddellijk de hoop van de ‘klassieke’ detective, maar opende voor de twee bezoekers van de leeszaal van KADOC een nieuw perspectief: ‘In de papieren van Leynen zit waarschijnlijk niet de ultieme sleutel tot het terugvinden van het verdwenen paneel, maar het goed geordende archief bevat wel een rijke documentatie aangaande de gebeurtenissen en de diverse (soms bevreemdende) sporen die werden gevolgd.’ Helemaal in de lijn van hun onderzoek gaan beiden voor Koorts in dialoog over Leynen, speuren en verzamelen.

Portret van Hilda Leynen door Koen Broucke uit 2025.

Portret van Hilda Leynen (2025).

Koen

‘Moesten er tussen het bewijsmateriaal inderdaad, laten we zeggen, tekeningachtige nota’s voorkomen, dan zou ik u graag mijn professionele diensten aanbieden voor een bijkomende gespecialiseerde en stijl- en tekenkundige analyse van het idioom te maken: dus niet zozeer wat de noteerder wil voorstellen, als welk “handschrift” hij daarbij gebruikt. Hoe gering of onbeholpen eventuele schets ook zou zijn, toch zou zo misschien een nieuw inzicht op de interpretatie kunnen volgen. Men tracht door de “bril” van de maker te zien’, schrijft Hilda Leynen in een eerste brief aan Karel Mortier op 5 mei 1965. In een soort sollicitatiebrief biedt ze haar expertise als tekenares aan. Karel Mortier is hoofdcommissaris van de Gentse politie en heeft zich na het behalen van zijn licentie in de criminologie helemaal vastgebeten in het dossier van De rechtvaardige rechters, het in 1934 verdwenen paneel van het Lam Gods-retabel in de Gentse Sint-Baafskathedraal. Mortier zal in 1966 samen met Noël Kerckhaert, journalist bij de Gazet van Antwerpen, het boek De diefstal van het Lam Gods publiceren. En al in 1968 komt er een vervolg: De rechtvaardige rechters gestolen. Daarna is het jaren stil. Maar de zoektocht gaat door, met vanaf de jaren 1970 de doortastende hulp van amateurdetective Hilda Leynen.

Hilda Leynen is 43 jaar wanneer Mortier in 1965 haar ‘sollicitatiebrief’ ontvangt. Ze is een onbekende tekenares en grafisch ontwerpster. Ze woont samen met haar ouders en jongere broer Herman in een mooie art-decowoning aan de Lodewijk Gerritslaan in Berchem. De expertise die Hilda Leynen de hoofdcommissaris aanbiedt, gaat over de interpretatie van de bizarre tekeningen, plannetjes en schetsen die Arsène Goedertier – de gedoodverfde dief van De rechtvaardige rechters – na zijn plotse dood in een schuifje van zijn bureau achterliet. Mijn hoofd tolde toen ik die brieven las. Ik herkende hier een merkwaardige samenvatting van mijn doctoraat in de kunsten, waarin ik een poging ondernam om mijn artistieke methodes te formuleren. Het ging over de dialectiek tussen wandelen en tekenen, maar vooral over het tekenen als hulpmiddel bij het interpreteren van historische bronnen. 1965 is overigens mijn geboortejaar. Op het ogenblik van die eerste brief was mijn moeder zwanger.

In 1994 verschijnt het eerste van twee fundamentele boeken over het onderzoek naar het verdwenen paneel, waarin de bijdrage van Hilda wordt verwerkt. In november van dat jaar overlijdt Noël Kerckhaert, Hilda nog geen drie jaar later. De twee kompanen van Mortier worden respectievelijk 69 en 75 jaar oud. In zijn laatste boek, daterend van 2005, richt hij zijn dankwoord in de eerste plaats aan hen omdat ze hem ‘jarenlang hun volle medewerking verleenden’. Mortier is op het moment van dit schrijven honderd jaar oud.

Pas in de jaren 1970 komt de samenwerking tussen Mortier en Hilda Leynen echt op gang. Uit haar archief blijkt dat ze zich niet aan haar belofte heeft kunnen houden om zich tot louter grafisch onderzoek te beperken. In haar vele brieven aan Mortier regent het vragen, suggesties en hypothesen en worden heuse onderzoeksdaden voorgesteld. Op 3 oktober 1973 luidt het: ‘Het is hopeloos! Sinds begin september probeer ik u via de te lefoon te bereiken voor een heel ondeugend nieuwtje, dat U aangaat, maar het lukt niet.’

Ik deelde mijn bevindingen met Annick Lesage, met wie ik in een alternatief onderzoek naar De rechtvaardige rechters was beland, en we besloten om mijn tweede dag in KADOC samen door te brengen. Ze moest dit archief met eigen ogen zien, vond ik. Enkele maanden eerder had ik haar de opdracht toevertrouwd een tekst te schrijven bij mijn tentoonstelling De kunstenaar die detective wilde zijn in de Sint-Pietersabdij in Gent. Ik kende Lesages passie voor speuren en vroeg me af of we een boek konden maken dat het midden zou houden tussen een geïllustreerd kunstboek en een spannende whodunit.

We vonden meteen de kracht van de dialoog: het over en weer mailen en telefoneren van vondsten, bevindingen en hypothesen. Een beetje zoals Karel Mortier en Hilda Leynen, of de veel bekendere duo’s in de detectiveliteratuur: Sherlock Holmes en Dr. Watson, Hercule Poirot en Arthur Hastings, William van Baskerville en Adso van Melk, Dalziel and Pascoe en Jansen en Janssen. Wat Hilda Leynen betreft, waren we het snel eens: ze was een kunstenaar-detective. Haar onderzoeksmethode bij het speuren naar het verdwenen paneel was zowel origineel als systematisch, wat haar tot onze favoriete detective maakt.

Aantekeningen van Hilda Leynen op inpakpapier van Kwaliwas.

Aantekeningen van Hilda Leynen op inpakpapier van Kwaliwas.

Annick

Ik schrijf ongegeneerd in de boeken die ik lees. Ik begrijp de verontwaardiging van andere boekenliefhebbers daaromtrent niet. Het zijn mijn boeken. Ik pleeg de heiligschennis wel met potlood. Want ik heb het plan opgevat om, wanneer mijn einde nadert, alles wat ik ooit heb neergekrabbeld, weer weg te gummen. Als een film die zich van achter naar voor afspeelt. Je weet natuurlijk niet wanneer je met die klus beginnen moet. Op tijd, maar wanneer is dat? De angst slaat me om het hart wanneer ik wannaar mijn boekenkast kijk. Al die argeloos neergekrabbelde notities: straks voor de leeuwen. En mijn naam staat in die boeken, met balpen dan weer, dat zul je net zien. Daaraan dacht ik toen ik op 13 augustus 2025 – het was snikheet – recht tegenover Koen aan een tafel zat in de leeszaal van KADOC. Om de papieren van een ander ongegeneerd uit te vlooien.

Koortsachtig, niet enkel door de temperatuur, zaten we over het archief van Hilda Leynen gebogen. Het bevat een heel aantal documenten die je niet mag fotograferen omdat ze een vertrouwelijk karakter hebben. Die inhoud scanden we razendsnel met de ogen, blad na blad, en we hadden op dat ogenblik al genoeg dossierkennis om dat efficiënt te doen. We wisten ook wat we zochten. Alles waar onze voorgangers overheen hadden gekeken. Dat was veel, want wij waren niet per se uit op wat ons naar het verloren Lam Gods-paneel zou kunnen leiden, of wat dermate compromitterend was voor de protagonisten van destijds, dat het naar de keel greep. Integendeel, wij visten er de onschuldige droedels, eigenzinnige notities en intrigerende gewoontes van Hilda Leynen uit. Die vertelden iets over de vrouw die we nimmer zouden kunnen spreken, maar wel wilden leren kennen. Bellen mocht je Hilda pas na 11 uur in de ochtend, liet ze iemand weten. Was ze een nachtvlinder en sliep ze uit? Of werkte ze bij dageraad en wou ze tot 11 uur niet gestoord worden? Dat soort dingen. Vermakelijk ook om te zien hoe Hilda Leynen aantekeningen had gemaakt op het inpakpapier van een al lang verdwenen wasserij. Hilda was niet de persoon van de mooie schriftjes. En wees eerlijk: gezeten voor zo’n esthetisch schriftje, komt er meestal ook niet veel van terecht. Nee, de beste invallen staan op de blanco randen van kranten of op kassatickets van de apotheek en ze zijn meestal niet erg leesbaar geschreven. Hilda was een authentieke detective.

We wisten ook wat we zochten. Alles waar onze voorgangers overheen hadden gekeken.

Of misschien gebruikte ze het geel-witte inpakpapier van een wasserij met daarop het kwaliteitslabel van een of ander comité Kwaliwas – hoe Elsschotiaans – om op de kosten voor papier te besparen. Geboren in 1922 had ze de Tweede Wereldoorlog bewust meegemaakt. In een van haar brieven staat bovendien over de middelen die ze aan haar onderzoek kan besteden droogweg: ‘Budget: geen.’

Verrassend in verband met dat geldgebrek: in het archief zit een gerecupereerde, volgekrabbelde enveloppe van een Jaguargarage, gericht aan haar broer Herman. Een Jaguar is geen doorsnee auto en in die Jaguar bracht Herman haar – alweer volgens een notitie – soms wel eens naar een locatie wanneer de verplaatsing moeilijk ging met de trein. Die Jaguar gaf Hilda – intussen ‘onze Hilda’ – glans. Hoe hartbrekend mooi kan het zijn: broer en zus, beiden ongetrouwd, bleven na de dood van hun ouders in de jaren 1980 samenwonen in het ouderlijk huis. Nu liggen ze met zijn vieren onder dezelfde steen begraven op Perk 05, rij D, graf 16, op de begraafplaats van Berchem. Het is trouwens Herman die het archief van zijn zus na haar dood bij KADOC heeft binnengebracht.

Het lijdt geen twijfel dat Hilda onnoemlijk veel plezier heeft beleefd aan haar zoektocht naar het verloren Lam Gods-paneel. In de brief aan Karel Mortier uit 1973 vertelt ze over een ontmoeting met Marnix Gijsen: ‘Tijdens een overigens prettig gesprek keek hij me diep in de ogen en sprak: gij zijt een persoon van een heel kinderlijk geloof.’ Wij vielen als een blok voor haar, toen we dat lazen. Gijsen bedoelde het beslist niet als een verwijt, hij was gecharmeerd. Zo moet het ook met Karel Mortier zijn gegaan. De brieven die ze hem stuurde, waren het tegendeel van saai. Zinnen als ‘Nu is de bundel een grote dikke mammoet, met een ondoordringbare pels, heel onhandelbaar’ of ‘Excuus voor de papiersproeten; ik heb de schrijfmachine geolied (nu juist) en er vliegen op mysterieuze manier spatjes uit’, moeten voor hem een verademing zijn geweest, en haar niet doorsnee geest moet in hem de hoop hebben doen ontbranden dat die dame wel eens nieuwe perspectieven zichtbaar zou kunnen maken. Uit haar archief blijkt dat ze, net zoals wij trouwens, een nogal onorthodoxe onderzoeksmethode hanteerde. Dat mocht ze ook, ze werkte niet voor de politie. En ze kon ook niet anders: haar vrije kunstenaarsziel ging onbelemmerd haar gang. Toen ze in 1965 Karel Mortier benaderde, besefte ze heel goed dat ze als volslagen onbekende alles uit de kast zou moeten halen om de criminoloog van haar kunde te overtuigen. Het enige diploma dat ze kon voorleggen, was dat van geaggregeerde tekenares, behaald in het in 1951 in Antwerpen opgerichte Plantin Genootschap. Daar had ze via een cursus boekcovers, logo’s en affiches leren maken. We hoorden later dat haar vader het niet opportuun had gevonden zijn dochter te laten doorstuderen.

Koen

Karel Mortier nam Hilda Leynen duidelijk serieus. In KADOC bevindt zich een handgeschreven brief van 7 februari 1974 met bijzonder gedetailleerde replieken op haar verregaande hypothesen en veronderstellingen. Dat is de kracht van de dialoog. Je durft gewaagde theorieën te verwoorden omdat de ander, die het enthousiasme mee heeft aangezwengeld, je tegelijkertijd kritische vragen stelt. Waardoor je elke nieuwe hypothese weer grondig moet staven en verdedigen. Zo hebben we een aantal nieuwe motieven voor de diefstal en een onverwachte ontknoping kunnen formuleren in ons boek, ook al is de zaak al bijzonder intensief onderzocht.

Annick

Leynen stelde zich vragen waar je om moet grinniken. Tijdens de analyse van het schetsboekje van Goedertier vroeg ze zich af: ‘Welke bladzijden van zijn notaboek zijn het smerigst?’ En in de veronderstelling dat het verloren paneel destijds in wasdoek was gewikkeld: ‘Toile cirée heeft een sterke, onmiskenbare geur: waarom niet met honden gezocht?’ De geur van toile cirée laat haar niet los, want later stelt ze zich de vraag: ‘Zou het wasdoek nog geuren?’

Portrettekening van Arsène Goedertier in het schetsboek van Koen Broucke uit 2025.

Arsène Goedertier in het schetsboek van Koen Broucke (2025).

Koen

Die vragen van Hilda klinken me vertrouwd in de oren. Het is een sterk staaltje van zintuiglijk onderzoek, waarbij alle zintuigen worden ingezet, precies waar ik in mijn doctoraat een lans voor brak. In dialoog met mijn promotor Jo Tollebeek introduceerden we toen het begrip: de draagsporen van de geschiedenis. Dat zijn ‘de lichamelijke ervaringen afgedrukt in historische objecten en documenten’. Het zijn de sporen van lichamelijk lijden, verminking, aftakeling en sterfelijkheid van het lichaam, de afdrukken van de lichaamsfuncties, van de lichamelijke ‘openingen’ en de overgang van leven en dood.

In een brief naar aanleiding van een artikel van haar hand dat zou worden gepubliceerd, had Hilda ter ondertekening zichzelf getekend, met een zonnebril en opgeplakte snor. De droge begeleidende tekst tussen haakjes ‘(ik durf mij niet meer te vertonen)’, suggereert dat ze in dat artikel waarschijnlijk nogal boude uitspraken had gedaan, en haar zoektocht naar De rechtvaardige rechters wat ver had doorgedreven.

Brief van Hilda Leynen, waarop ze zichzelf tekende met zonnebril en opgeplakte snor: ‘Ik durf mij niet meer te vertonen.’

Portret van Hilda Leynen door Koen Broucke uit 2026.

Portret van Hilda Leynen (2026).

Annick

Door te speuren in een persoonlijk archief duik je diep in het hoofd van diegene die het achterliet. Het is anders dan het lezen van een boek, zeker wanneer het archief niet dood is gecensureerd. Elke tussentijdse gedachtegang of -sprong wordt geïllustreerd. Aan de hand van de documenten van Hilda Leynen kun je perfect volgen hoe ze vanuit een behoorlijk chaotische, manische manier van werken tot een synthese kwam. Ze werkte vanuit haar rijke verbeelding, maar alles eindigde in, alweer, maniakale orde. De honderden fiches die ze als een pennenlikker aanmaakte, bewijzen dat. Die orde schiep ze in eerste instantie voor zichzelf. Die steekkaarten doen me denken aan de tussentijdse collages op de ateliertafels van Koen, waarin hij tijdens een onderzoek zijn vondsten vastlegt om het overzicht te bewaren. Het archief van Hilda Leynen zit vol aanwijzingen die tonen dat ze, geleid door een diepgaande dossierkennis, elk nieuw spoor fanatiek uitspitte. Soms lijken de paden die ze bewandelt te absurd voor woorden, maar we grasduinen dan ook in haar privénotities. Ze was verstandig genoeg om enkel wat ze met rationele bewijskracht hard kon maken, de buitenwereld in te sturen. Dat blijkt uit een voortreffelijk dubbelartikel voor Wetenschappelijke tijdingen van veertien pagina’s van haar hand. Het verscheen in 1979 en is het sluitstuk van haar onderzoek dat meer dan dertig jaar besloeg. Daarna werd ze gebeten door de lijkwade van Turijn. Het Lam Gods-paneel heeft ze niet kunnen terugbrengen en toch kan haar publicatie nog altijd gerekend worden bij de beste die ooit over de diefstal zijn geschreven. Er is sindsdien ook niet veel veranderd. De rechtvaardige rechters zijn nog altijd zoek.

Je wordt geen amateurdetective wanneer je niet vatbaar bent voor obsessie. Ook Koen en
ik verzeilden tijdens onze dialoog een paar keer in obsessies.

Wat ons ook voor Hilda Leynen inneemt, is haar passie voor bewaren en verzamelen. Die blijkt niet alleen uit haar archief, maar ook uit de aanblik van het ouderlijke huis waar Koen na de dood van haar broer Herman in 2025 een kijkje kon gaan nemen. Daar lagen trouwens nog de krantenartikelen die ze als twaalfjarige over de diefstal had bijeengespaard.

Via een familielid kreeg Koen haar penselen, palet en enkele kunstwerken in bruikleen voor de tentoonstelling in de Sint-Pietersabdij. Intussen hebben ook in mijn huis enkele persoonlijke spullen van Hilda een tijdelijk onderkomen gevonden. Ik heb sowieso ontzag voor spullen van overleden mensen. En zeker wanneer er oud stof mee is gemoeid, zoals bij de tekenmappen van Hilda. Je weet quasi zeker dat het haar handen zijn die ze voor het laatst hebben geopend. Er is voorts een vergrijsde plastic zak vol kleine witte, stoffen poppetjes die ze zelf haakte, maar nog moest aankleden. Hilda deed aan handwerken. Net zoals Miss Marple.

Agatha Christie laat Miss Marple voor het eerst in een detectiveroman verschijnen in 1930. Dat is vier jaar voor de diefstal van De rechtvaardige rechters. Miss Marple heeft zich daar niet mee bemoeid, maar met Hilda lijkt het wel alsof haar schim veertig jaar later toch de Noordzee is overgestoken. Het oude, innemende dametje, vaak in tweedjas en met een vilthoed met veer, is aldoor aan het breien. Ondertussen denkt ze na. In een filmpje op YouTube zie je Hilda Leynen in volle actie. De Nederlandse tv-maker Roel Oostra zit haar begin jaren 1990 voor het KRO-programma Reporter op de hielen. Natuurlijk noemt hij haar Miss Marple. In het filmpje is Hilda – kordate stapjes en een handtas om haar arm – op weg naar de Sint-Baafskathedraal. Eens binnen zie je haar in de weer met een groot karton, precies de maat van het verloren paneel. Of je dat in je eentje uit het kader kon halen, vraagt ze zich af. Dan neemt ze de reporter mee naar de Noodgodskapel, aan de noordzijde van de kathedraal. Ze is er op dat ogenblik van overtuigd dat de dief het paneel net na de diefstal daar heeft verstopt. Tijdens haar onderzoek kreeg ze na lang zeuren bij de bisschoppelijke diensten een sleutel, waar ze een potloodafdruk van nam. Die afdruk kwam perfect overeen met een sleutel in eigen bezit. De deur ging met beide sleutels open. ‘Zie je wel, hij past!’, klinkt het triomfantelijk wanneer ze haar vondst aan de reporter demonstreert. In haar archief is die sleutelepisode uitgebreid gedocumenteerd. Je wordt geen amateurdetective wanneer je niet vatbaar bent voor obsessie. Ook Koen en ik verzeilden tijdens onze dialoog een paar keer in obsessies.

Door het archief van Hilda Leynen in ons onderzoek te betrekken, raakten Koen en ik bovendien in een vreemd fenomeen verwikkeld: het Droste-effect. De detective (ik) volgt de detective (Koen) die de detective (Hilda) volgt. Het effect is geïnspireerd op de afbeelding van Jan Misset op de cacaodozen van Droste uit 1904, waarop een verpleegster staat afgebeeld met net zo’n cacaoblik in haar handen, waarop een verpleegster staat met..., enzovoort. Wij hielden een dialoog met zijn drieën, over de dood heen.

Potloodafdruk van een sleutel van het bisdom, een van de vele pistes die Hilda Leynen verkende.

Potloodafdruk van een sleutel van het bisdom, een van de vele pistes die Hilda Leynen verkende.

Koen

Onze meanderende dialoog kreeg nog een heel andere dimensie. Hij heeft ook mijn kunstwerken voor het boek en de tentoonstelling geïnspireerd. Annick maakte me meermaals attent op een detail, iets wat ik zelf niet had gezien en wat ik achteraf absoluut wilde schilderen: sleutels, citroenen, handen, wijzende vingers, sporen. En door te schilderen openbaarde zich weer een nieuwe betekenis om te doorgronden, een geheime code of betekenis die opgesloten ligt in de dingen. Ten slotte schilderde ik portretten van Hilda Leynen, op basis van de foto’s die we vonden in de nalatenschap. Het is voor mij altijd een manier geweest om de personen naar wie ik onderzoek doe, te begrijpen en psychologisch te doorgronden. Het is alsof ik tijdens het schilderen inzichten krijg die ik niet op een andere manier kan verwerven. Zo schilderde en tekende ik ook de onvermoeibare politieman Karel Mortier en de vermoedelijke dief Arsène Goedertier.

Schilderij Lachende geestelijken met paravent: de sleutel tot de oplossing van het mysterie?

Schilderij Lachende geestelijken met paravent: de sleutel tot de oplossing van het mysterie?

Annick

Commissaris Mortier moet zijn kompaan Hilda Leynen hebben gemist, na haar dood in 1997. Nooit heeft hij meewarig gedaan over de soms kinderlijke ijver waarmee ze haar hypotheses onderzocht. Naast de sleutel van de Noodgodskapel was er nog iets waar ze haar zinnen op had gezet: de paravent. Hemel en aarde heeft ze bewogen om zoveel jaar na de feiten een mysterieuze paravent terug te vinden. Ruim dertig jaar eerder hadden getuigen verklaard hoe ze hadden gezien dat de vermeende dief Arsène Goedertier en zijn vrouw een pakket ter grootte van De rechtvaardige rechters met grote omzichtigheid in hun Chevrolet laadden. Volgens Goedertiers weduwe was dat een onschuldige paravent geweest, bestemd voor een oude tante in een rustoord. Hilda vlooide uit welk rustoord dat kon geweest zijn en begon een correspondentie met de ‘Zeereerwaarde moeder’ die het in 1974 bestierde. Maar haar vraag viel op een koude steen. Niemand leek die tante daar gekend te hebben, laat staan dat ze zich haar paravent herinnerden. Een teleurstelling voor Hilda, terwijl ze gewoon had kunnen concluderen dat de Goedertiers over die paravent hadden gelogen. Hilda dacht verder: in die paravent kon het paneel zijn verwerkt, en die paravent kon nog bestaan. De aanblik van een schilderijtje dat Koen op een veiling kocht, doet denken dat ze het wel eens bij het rechte eind kan hebben gehad. Dat is wat de kunstenaar-detectives Koen Broucke en Hilda Leynen met elkaar gemeen hebben: een werkmethode die gedurig laveert tussen humor en bloedige ernst. Ze huldigen het principe dat een onorthodoxe manier van speuren vroeg of laat zijn vruchten afwerpt. De stroom aan inspiratie die zo’n methode met zich meebrengt, is de dolle motor die Brouckes reis gaande houdt. De bestemming is onzeker en tegelijk altijd in zicht. Wie zijn de heren op het schilderij, en waar bevindt zich de voorgestelde kamer? De jacht op de paravent is wat ons betreft weer open.

Koen Broucke is historicus, doctor in de kunsten en schilder.

Annick Lesage is VRT-journalist en auteur.

De tentoonstelling De kunstenaar die detective wilde zijn is tot 27 september te bezoeken in de Sint-Pietersabdij in Gent. Het gelijknamige boek verscheen bij Artha.