Editie #110: Afval

Theatercritica Evelyne Coussens ziet de afvalberg de laatste jaren wel vaker verschijnen binnen de podiumkunsten. Veelal vormt zo’n storthoop het zwijgende decor voor ecodystopische ficties die met grote sérieux waarschuwen voor de huidige klimaatramp. In de meeste van die ficties voert de mens het woord. Maar hoe klinkt het als de afvalberg zélf begint te spreken? Daarvoor moeten we terug naar de vrije verbeelding van de jaren 1980, en naar Jim Hensons Fraggle Rock.

Theatercritica Evelyne Coussens ziet de afvalberg de laatste jaren wel vaker verschijnen binnen de podiumkunsten. Veelal vormt zo’n storthoop het zwijgende decor voor ecodystopische ficties die met grote sérieux waarschuwen voor de huidige klimaatramp. In de meeste van die ficties voert de mens het woord. Maar hoe klinkt het als de afvalberg zélf begint te spreken? Daarvoor moeten we terug naar de vrije verbeelding van de jaren 1980, en naar Jim Hensons Fraggle Rock.

In de magischrealistische theaterfilm Ne Mobliez Mie (2023) van FC Bergman is het Marie Vinck die zich sensueel rondwentelt in een vuilnisbelt. Voor Dries Verhoeven vormde een stortplaats vol e-waste in Port-au-Prince de achtergrond voor een van zijn Guilty Landscapes (2016). Het Nederlandse gezelschap Maas theater en dans creëerde in 2024 een gletsjer van grof vuil in de duinen van Terschelling, als scenografie voor de dansvoorstelling waste me: vijf performers kropen tevoorschijn uit afgedankte wasmachines en sofa’s, in een aanklacht tegen de wegwerpmaatschappij. Ook de Nederlandse theatermakers Wunderbaum (BULK) en Schippers&VanGucht (De volle vuilkar) thematiseerden de afgelopen jaren het afvalprobleem in hun voorstellingen. De Vlaamse Sarah Vanhee deed dat misschien nog het meest consequent: voor de voorstelling Oblivion (2014) verzamelde ze een jaar lang alle (niet-organische) afval dat ze zelf had voortgebracht. Gezeten op een aanvankelijk compleet lege scène stalde ze vervolgens twee uur lang met eindeloos geduld de lege yoghurt-potjes, zakdoekverpakkingen, plastic flesjes en brikken uit, tot ze het middelpunt werd van een ontzagwekkend landschap van zelfgecreëerde waste. Net zoals bij de meeste van haar theatercollega’s fungeerde de geaccumuleerde berg ‘ballast’ of ‘overlast’ als symbool van onze schuld – onze grote, grote (hoop) schuld.

Bij veel theaterproducties fungeert de geaccumuleerde berg ‘ballast’ of ‘overlast’ als symbool van onze schuld – onze grote, grote (hoop) schuld.

Afval is dan het decor, een veelal zwijgende aanwezigheid, die nog maar eens benadrukt hoezeer de mens zich protagonist waant in het schouwspel dat ‘leven’ heet. Om die hiërarchie om te keren, om me een voorstelling te maken van de storthoop als denkend, sprekend personage moet ik al diep graven in mijn geheugen. Maar dan rijst ze eindelijk op uit de nevelen van mijn kinderherinneringen, even majestueus als beangstigend: Gloria de Storthoop.

Mystiek en morsig

Wat ik me herinner van De Freggels (origineel: Fraggle Rock), dat ergens in de vroege jaren 1980 op de Belgische staatsomroep BRT te zien was, is niet bijster veel. De onweerstaanbare begintune natuurlijk (‘Maak muziek en lach, zorgen voor een andere dag’), die ik nog steeds kan meezingen van begin tot eind. Het fluffy rechtopstaande haar van de Freggelspoppen van Jim Henson (maker van The Muppets), de aanwezigheid van kleine gele bouwers (de Doeners) die in de Freggelsgrot steeds noest aan het werk zijn om de gemeenschap te voorzien in voedsel. En natuurlijk: Gloria de Storthoop (origineel: Marjory the Trash Heap), een bruinig amalgaam van bladeren en bananenschillen, getooid met een lorgnet waar ze streng doorheen blikt.

Achteraf bekeken is Hensons Fraggle Rock, de muzikale poppenserie die voor het eerst te zien was in 1983, een vrolijke parodie op de menselijke hoogmoed met betrekking tot haar eigen uitzonderingspositie in de wereld, en een warm pleidooi voor een meer holistische blik op de relatie tussen alle levende wezens. Verschillende gemeenschappen en soorten leven in de serie samen in een netwerk van onderlinge afhankelijkheden. De Freggels zelf bewonen een ondergronds grottenstelsel en beschouwen zichzelf naar analogie met de mens als het toppunt van de beschaving. Hun grot grenst enerzijds aan de tuin van de Griezels, een soort domme reuzen die zichzelf al evenzeer het middelpunt van hun koninkrijk wanen, anderzijds komt de Freggelsgrot uit op de werkplaats van een échte mens (de oudere knutselaar Doc) en diens hond Sprokkel. De werkplaats van Doc vormt de sluis naar het ‘wereldruim’, zeg maar: de mensenwereld.

Fraggle Rock is vrolijke parodie op de menselijke hoogmoed met betrekking tot haar eigen uitzonderingspositie in de wereld, en een warm pleidooi voor een meer holistische blik op de relatie tussen alle levende wezens.

De Freggels zijn vrolijk, muzikaal en zorgzaam, maar ook behoudsgezind en bang voor het onbekende. Er is slechts één Freggle voor wie de veilige knusheid van de grot te beklemmend is en die in de eerste aflevering besluit het wereldruim in te trekken: Reizende Oom Roel, de oom van protagonist Gobo. Over zijn avonturen in de wereld schrijft hij postkaarten naar huis, die getuigen van zijn niet-antropocentrische blik: Roel praat even graag tegen parkeerautomaten en honden als tegen mensen, met wie hij niet zoveel op heeft (hij noemt ze de ‘Dwaze Wezens’). Zijn postkaarten belanden steevast in de prullenmand in de werkplaats van Doc. Rode draad door de Freggelsafleveringen zijn de pogingen van Gobo om de postkaarten uit de werkplaats van Doc te gappen. Die kaarten doen Gobo dromen van een wereld die groter is dan de grot.

Net zoals er een ‘binnen’ en een ‘buiten’ is in het Freggelsuniversum is er ook een ‘boven’ en een ‘onder’. De Freggels zijn duidelijk spiritueel. De liedjes in de serie hebben geregeld een gospel- of bluesachtige vibe en in verschillende afleveringen komen rituelen of processies voor. In de aflevering ‘Kom, water, kom’ laten de Freggels bijvoorbeeld een hummende stoet van ‘buizentikkers’ aanrukken die onder plechtige voorgang van een goeroe een opgedroogde waterbron moet laten stromen (terwijl Doc gewoon de waterkraan van zijn werkplaats heeft toegedraaid). De Freggels worstelen, kortom, net zoals de mens, met zichzelf, de zin van hun bestaan en hun plaats binnen het grotere geheel. Wanneer ze verdrietig zijn of bezorgd, wagen ze zich in de tuin van de Griezels waar ze op gevaar van eigen leven Gloria de Storthoop om raad kunnen vragen. Zij rijst op uit de grond, mystiek en morsig tegelijk, geflankeerd door twee ratten die ze haar jongens noemt maar ook haar (mis)dienaren lijken te zijn. ‘Je bent in de aanwezigheid van de alwetende storthoop’, proclameren de ratten plechtig. Ze weet alles, zij ziet alles. Zij is het Al.

Niets menselijks is Gloria vreemd: soms is ze lui, liegt ze een beetje of behandelt ze de geïntimideerde Freggels met onverschilligheid.

Gloria lijkt een persiflage te zijn op het ‘alwetende orakel’ zoals dat in de oudheid bestond onder de vorm van de Pythia: de priesteres van Apollo die in Delphi onder invloed van bedwelmende dampen advies gaf in vooral politieke en militaire zaken. Dat de onsamenhangende uitingen van de Pythia door (mannelijke) priesters werden omgezet in concreet (en betalend) advies, daar zat natuurlijk een reukje aan. Ook de dienstverlening van Gloria is niet gespeend van opportunisme. ‘Heb je een cadeautje meegebracht?’, vraagt ze begerig wanneer een Freggel om raad komt vragen. En even cryptisch en polyinterpretabel als de gestamelde klanken van de Pythia zijn ook de ‘goddelijke’ aanwijzingen van de Storthoop Gloria. Meer nog: er valt geen lijn in te trekken. Haar antwoorden variëren van diepe wijsheden als ‘Maak vrienden. Vrienden helpen’, over mysterieuze wenken als ‘Huil niet om gemorste melk’ tot praktische richtlijnen: ‘Draag je pet.’ Dat laatste is haar advies aan Freggel Bobby, die geplaagd wordt door een gebrek aan zelfvertrouwen en gesterkt van zijn bezoek aan Gloria terugkeert. ‘De Storthoop heeft zijn leven veranderd!’ klinkt het euforisch in de Freggelsgrot. Het is moeilijk om Henson er in deze aflevering niet van te verdenken de zelfhulp- en therapiecultuur van de jaren 1980 op de korrel te nemen (die trouwens tot op vandaag alleen maar aan populariteit heeft gewonnen).

Spiegel van angst en verlangen

Heerlijk aan Gloria is dat ze zo’n dubbelzinnig personage is. Ze is fluïde en ongrijpbaar, ze bestaat uit een vuile verzameling paradoxen. Ze is het hoogste en het laagste in één, moedergodin en afvalberg, existentie en ballast. Ze is het al en het teveel, ze zegt het slimste en het domste tegelijk. Bovendien is ze vloeibaar, verandert ze doorheen de afleveringen lichtjes van vorm, taal en gender. Wanneer er een afgedankt object ‘op de hoop’ terechtkomt, tooit ze zich met dit nieuwe feature, zoals wanneer ze in de aflevering ‘Het kan me niet schelen’ plots een dekentje draagt. Wanneer ze verplaatst wordt in de tuin van de Griezels, valt ze uit elkaar, moet opnieuw worden samengesteld en spreekt ze plots met de stem van een man. Zelfs haar accent (stem-acteur Jerry Nelson), oorspronkelijk Engels met Oost-Europese invloeden, evolueert doorheen de serie. Niets menselijks is haar vreemd: soms is ze lui, liegt ze een beetje of behandelt ze de geïntimideerde Freggels met onverschilligheid. Wanneer ze moe of depressief is, verdwijnt ze in de aarde.

Echt ‘helpen’ doet Gloria niet – de ongerijmdheid van haar adviezen leidt er alleen toe dat de Freggels zelf aan het denken en interpreteren gaan.

Zo op- en neerrijzend is ze uiteindelijk het toonbeeld van een veerkrachtig wezen dat eigenstandig is en het gewemel rond zich helemaal niet nodig heeft (hoewel de presentjes welgekomen zijn). Echt ‘helpen’ doet ze niet – de ongerijmdheid van haar adviezen leidt er alleen toe dat de Freggels zelf aan het denken en interpreteren gaan. Uiteindelijk is Gloria de Storthoop niet meer dan een spiegel die hun eigen angsten en verlangens terugkaatst. Wanneer een Freggel haar komt vertellen dat hij geen ideeën heeft, antwoordt ze, boeddha-gewijs: ‘Ga rustig onder een boom zitten aan het eind van de tuin en denk na.’

Wij Freggels, wij mensen zoeken naar handvatten voor ons handelen in dit leven, en omdat we zwak en bang zijn, leggen we verantwoordelijkheid en oplossingen bij hogere machten. De verpakkingsindustrie moet aan de slag met de afvalcrisis, we kijken naar politici om de klimaatramp te voorkomen en het energieverbruik van de tech-reuzen te reguleren – terwijl we collectief verslingerd zijn aan het gemak van AI. Door van die hogere macht een lagere macht te maken – de moedergodin is een vervuilde hoop aarde – steekt Jim Henson de draak met die verwachting. Wij veroorzaken de ecologische ramp, wij produceren de afvalbergen, daarna gaan we ze om raad vragen. Maar Gloria gaat ons niet redden. De Storthoop heeft ons niets te zeggen, behalve dat we het zelf moeten oplossen. Hoe dan? Geen idee. Draag een pet? Het is het proberen waard.

We geven het niet graag toe, maar onze samenleving puilt uit van het afval. We bannen het uit het zicht, uit de openbare ruimte en uit het vooruitgangsnarratief dat productie centraal stelt en reststromen wegdrukt. rekto:verso’s juninummer Afval keert die blik om. Want wie in de afvalberg gaat woelen, weet hoeveel er te vinden valt: definities en categorieën van wat we willen behouden en wat niet, inzichten in wetgeving, logistiek en arbeid, in circulaire experimenten, artistieke praktijken en culturele waarden.

Met bijdrages van: Hanne Janssens, Ahilan Ratnamohan, Sibo Kanobana, Evelyne Coussens, Lukas Klein, Lisa Doeland, Katrien Schaubroeck, Sunaura Taylor, Evi Swinnen, Elmar Willems, Wendy Wuyts, Mie Goffin & Lies Van Assche, Ruth Janse, Pieter Van de Walle, Philsan Osman, Hugues Makaba Ntoto, Pieter Vermeulen, Nele Buyst.

Beeldbijdrager: Maya Strobbe
Ontwerp: Ine Meganck & Marie De keersmaecker

Dit nummer werd samengesteld door Nele Buyst en Hanne Janssens.