Op een doordeweekse ochtend lijkt Vlaanderen een verzameling eilandjes. In de trein: ogen op schermen. Op straat: oortjes ingeplugd. De publieke ruimte oogt steeds vaker als een plek waar mensen vooral met rust gelaten willen worden. Maar zodra de zomer begint, breekt de Vlaming uit die zelfgekozen bolster. Dan trekken we met honderdduizenden naar festivals, parkconcerten, processies, buurtfeesten, wielerwedstrijden en jawel, de Zomerzoektocht van Davidsfonds. Plots willen we wél samen zweten, zingen, dansen, zoeken en vieren.
Waar komt die merkwaardige ‘samen-drang’ vandaan? Waarom zoekt een hyperindividualistische samenleving tegelijk zo massaal collectieve ervaringen op? Wat zegt dat over de nood aan gemeenschap in een tijd van schermen, polarisering en digitale afzondering? We leggen de paradox voor aan Pascal Gielen, cultuursocioloog en scherpe denker over cultuur, gemeenschap en publieke ruimte in Vlaanderen. Volgens hem schuilt achter onze festivalhonger
veel meer dan ontspanning of escapisme. “Mensen zijn zintuiglijk uitgehongerd,” zegt hij. “Ze zoeken opnieuw resonantie met anderen en de wereld.”
Pascal Gielen: “Die individualisering bestond eigenlijk al lang vóór sociale media, maar digitale media hebben ze enorm versterkt. En covid heeft daar nog eens een extra versnelling op gezet. Volgens mij leven we vandaag in een toestand van esthetische deprivatie. Dat klinkt ingewikkeld, maar ik bedoel
daarmee: zintuiglijke armoede. Esthetiek gaat voor mij niet over schoonheid, maar over het Griekse ‘aisthesis’ (voor de klassiek geschoolden: αἴσθησις): hoe onze zintuigen worden aangesproken. Vandaag wordt ons bestaan almaar meer audiovisueel. We kijken naar schermen, luisteren in ons eentje via oortjes, vergaderen online, communiceren via tekst en beelden. Maar een mens heeft veel meer nodig dan zien en horen. Geur, temperatuur, aanraking, resonantie, nabijheid … dat zijn fundamentele manieren waarop wij ons tot de wereld verhouden. Als dat register verschraalt, ontstaat er een soort honger. En dan krijg je die enorme drang naar collectieve ervaringen.”
“Ja, omdat veel maatschappelijke problemen uiteindelijk draaien rond verlies van nabijheid. Mensen leven fysiek dichter op elkaar dan ooit, maar sociaal en zintuiglijk vaak verder uit elkaar. We communiceren voortdurend, maar ‘ervaren’ elkaar minder. Digitale media geven connectiviteit, wat je zeker niet mag verwarren met nabijheid. En precies daarom ontstaat die enorme begeerte naar fysieke collectieve ervaringen. Een festival is dan bijna een tijdelijke remedie tegen sociale afstand.”
“Absoluut, al gaat het natuurlijk ook over plezier en amusement. Maar dieper zit er een verlangen naar resonantie: mensen zoeken ervaringen waarin ze zichzelf even vergeten en opgenomen worden in een gedeelde atmosfeer. Dat kan op een festivalweide gebeuren, maar evengoed in een theaterzaal, tijdens een processie, een voetbalmatch of een zomerzoektocht van Davidsfonds. Het gaat telkens over samen kijken, samen bewegen, samen zoeken. Dat lichamelijke aspect van gemeenschap onderschatten we enorm.”
(lacht) “Natuurlijk gebeurt dat ook. Tomorrowland is daar een interessant voorbeeld van. Hun hele beeldtaal draait rond gemeenschap, met ‘Forever Together’ en dat soort slogans. Dus ja: verbondenheid wordt vandaag volop gecommercialiseerd. Wat niet betekent dat de behoefte van de mensen daarom niet echt zou zijn. Integendeel. Die nood is heel reëel. Mensen zoeken een vorm van collectieve resonantie die ze in het dagelijkse leven steeds minder vinden. Evenementen als Tomorrowland spelen hier handig op in.”
“Dat mensen opnieuw willen voelen dat ze deel uitmaken van iets groters dan zichzelf. Dat gebeurt zelfs op een lichamelijk niveau. Samen dansen, samen zingen, samen bewegen op muziek, samen stil worden in een theaterzaal: dat zijn ervaringen waarbij individualiteit even naar de achtergrond verdwijnt. Zo ontstaat een tijdelijke atmosfeer die mensen verbindt.”
Vlaamse verenigingen zijn de laboratoria van de samenleving.
“Ja. Vorig jaar hebben we voor het eerst ‘Out of Space’ georganiseerd, een groot evenement met elektronische muziek, debatten, kunstinstallaties en workshops. Dat interesseert mij omdat het ‘denken’ en ‘ervaren’ samenbrengt. Veel klassieke intellectuelen blijven hangen in woorden en analyses, terwijl mensen ook sfeer, ontmoeting en lichamelijkheid nodig hebben. Tegelijk zie je binnen de ravecultuur ook een reactie tegen de commercialisering van de collectieve beleving, waar we het net over hadden. Grote festivals verkopen vandaag gemeenschap als product. Net daarom zoeken kleinere raveculturen opnieuw naar iets rauwers en authentiekers. Vandaar ook dat a-legale karakter: ergens tussen legaal en illegaal. Niet omdat die mensen ‘crimineel’ willen zijn, maar omdat ze tijdelijk willen ontsnappen
aan zowel de marktlogica als de overregulering. Ze zoeken ruimtes waar niet alles meteen gecommercialiseerd, gecontroleerd of geprogrammeerd wordt. Daar ontstaat vaak een veel directere vorm van collectiviteit.”
“Omdat identiteit altijd het gevaar inhoudt dat ze defensief wordt. Elke emancipatiebeweging loopt dat risico. Of het nu gaat over nationalisme, feminisme of woke: vaak begint zoiets open en bevrijdend, maar daarna ontstaat de reflex van afbakening. Dan krijg je: jij hoort erbij en jij niet meer. Je ziet dat vandaag overal. Mensen zoeken veiligheid in steeds kleinere ideologische bubbels en safe spaces.”
“Sociale media versterken dat enorm. Die werken fundamenteel binair: likes of dislikes, vriend of vijand, voor of tegen. De Canadese filosoof en mediatheoreticus Marshall McLuhan zei ooit: ‘The medium is the message.’ Dat geldt vandaag sterker dan ooit. De manier waarop sociale media georganiseerd zijn (snel, polariserend, binair) beïnvloedt onwillekeurig ook hoe wij politiek en maatschappelijk beginnen te denken. De tussenzone en de nuance verdwijnt.”
Wij leven vandaag in esthetische deprivatie, zintuiglijke armoede.
“Dat hangt ervan af welk soort festival. Sommige zijn puur consumptieruimtes geworden. Maar andere creëren wel degelijk tijdelijke commons.”
“Commons zijn ruimtes tussen markt en staat. In het Nederlands klinkt dat veel mooier als het ‘gemeen’, waar trouwens ook de gemeente vandaan komt. Geen puur commerciële relaties, maar ook geen volledig door de overheid gecontroleerde structuren. Mensen organiseren zich daar vanuit een gedeelde nood, niet vanuit een gedeelde identiteit. Dat verschil is cruciaal. Veel kleinere raveculturen zoeken bewust zulke tussenzones op.”
Een festival is een tijdelijke remedie tegen sociale afstand.
“Absoluut. Het Vlaamse middenveld is internationaal echt uitzonderlijk. In Nederland is veel daarvan afgebouwd. In de Verenigde Staten bestaat het amper in die vorm. Maar hier heb je nog altijd verenigingen, amateurkunsten, cultuurhuizen, leesgroepen, lokale afdelingen … Dat zijn geen vrijblijvende hobbyclubjes, maar ik zie ze als laboratoria van de samenleving.”
“Veel sociale innovatie ontstaat daar eerst. Mensen voelen een gedeelde nood – bijvoorbeeld betaalbare energie, of het delen van een auto – en organiseren zich. Later nemen overheden of bedrijven dat soms over. Maar het begint vaak in civiele ruimtes. Het belangrijke is: mensen ontmoeten elkaar daar zonder onmiddellijk economisch doel. Ze leren luisteren, organiseren, samenwerken, zorg dragen. Dat is fundamenteel voor democratie.”
“De Zomerzoektocht van Davidsfonds vind ik daarom zo interessant. Dat is niet alleen een activiteit of spel, maar brengt mensen letterlijk in beweging. Ze stappen samen door een stad of streek, kijken opnieuw, praten met elkaar, ontdekken dingen. Dat is cultuurparticipatie in een sterke betekenis – met heel je lichaam en al je zintuigen resoneren met je omgeving.”
“Oekraïne heeft mijn denken enorm aangescherpt. Ik kom er inderdaad al meer dan tien jaar. In het begin was dat voor lezingen en in functie van mijn boeken, later ook voor onderzoek. Sinds de oorlog zie je daar hoe belangrijk culturele ruimtes zijn. Niet alleen officiële publieke ruimtes, maar wat ik semi-publieke ruimtes noem: theaters, cafés, cultuurhuizen, kunstencentra. Plaatsen waar mensen ondanks alles toch samenkomen. Het zijn de enige plekken waar Oekraïeners soms nog Russisch spreken, iets wat uit de publieke ruimte is verbannen. In Oekraïne zie je vandaag hoe cultuur blijft voortbestaan tussen bombardementen. Mensen blijven muziek maken, films draaien, exposities organiseren. Dat is een manier om mens te blijven.”
“We mogen echt niet onderschatten of vergeten dat daar niet alleen grondgebied verdedigd wordt. Daar worden ook onze Europese waarden verdedigd: openheid, pluraliteit, cultuur, het vermogen om verschil toe te laten zonder uiteen te vallen … In Oekraïne besef je maar al te goed dat cultuur geen versiering is, maar iets wat een samenleving bijeenhoudt.”
Wie is Pascal Gielen?
• Cultuursocioloog en gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen
• Leidt het Culture Commons Quest Office, onderzoeksgroep rond cultuur en ‘commons’ (de gemeenschappelijke ruimte tussen markt en overheid)
• Auteur van talrijke boeken over kunst, politiek en samenleving
• Schrijft geregeld felle bijdragen voor De Standaard en De Morgen
• Organisator van experimentele cultuurprojecten en rave-evenementen zoals ‘Out of Space’, waar elektronische muziek, debat en kunst samenkomen
• Organiseert samen met Toneelhuis Antwerpen regelmatig debatten over cultuur, politiek, conflict en het stedelijke leven