#109: Onaf

Voor dit nummer compileerde auteur Koen Sels een sample uit een project waaraan hij al minstens vijf jaar in talloze Worddocumenten werkt. Al compilerend bleef hij maar driftig toevoegen en stapelen, waardoor afronding verder weg lijkt dan ooit, zo gaf hij zelf in onze correspondentie aan. Wat voorligt is geen essay, het is geen fictie, het is een amorf tekstlandschap met ‘een verscheurde samenhang’. Of misschien is het net wel een fictie, zo bedenkt Sels (zich), gegeven dat dat genre draait om ‘(de strijd met en tegen) abstracties’, om in de kiem gesmoorde door- of uitbraken (naar andere werelden).

Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow,
Creeps in this petty pace from day to day,
To the last syllable of recorded time;
And all our yesterdays have lighted fools
The way to dusty death. Out, out, brief candle!

William Shakespeare, Macbeth

Die ochtend (of was het al de grenzeloze voormiddag, alles nog virtueel, loze belofte?) werkte ik in het archief van het Agentschap. Golven doorboorden de muren, het licht was warm geel en de muren waren beige, warm grijs. Zoals je weet, bestaat het heden niet, maar wat kon ik doen? Dus leefde ik op het ritme van dagen, dat een leven is van bewusteloosheid tot bewusteloosheid, van zonnedagen die het donker in kropen, die partikel per partikel voortklauwden en ontelbare sterrendagen opslokten (want een dag is voortschrijdend licht): wakker, reeds begonnen, niet te beëindigen, zoals de stem die we denken noemen, zoals het wegennet.

Op een dag (vrachtverkeer, onbemande camera’s op parkings, ongewenste gedachten, transport van pakketjes met gewilde inhouden, windrichtingen, niet te herhalen nuances in de terugkeer van de diepste, meest abstracte relaties) moet ik gedacht hebben: hoe is het mogelijk dat er nog zo’n dag zal volgen? Hoe kon de dag deze omstandigheden hebben overleefd? Het nu was het breekpunt van waaruit men richtingen kon bepalen, het was een teken, een gelijkheidsteken, om oorzakelijkheid te kunnen denken. De werkelijkheid was verzadigd van dergelijke punten. Ze vormden het weefsel, het plezier, de elektriciteit, de poëzie, het waren de submicroscopische wormgaten, de oogdrijvers in het zicht van wie vermoeid of gedehydrateerd was, de kantelende, tendentiële relaties zoals die van zon, wolk, schaduw en object. Ik bedoel dat er dromen waren, ik bedoel dat er afleiding was.

Ik schikte de dossiers ‘Einde Termijn’ en ‘Te Bespreken Overlijden’ op de tafel ‘Te Klasseren’. Ik had papercuts aan nagelriemen, want sommige dossiers moest ik ergens onderaan zware stapels steken. Voor de bouwsector vervoerde men rijnzand met binnenschepen naar loskades, opnieuw. Ronkende, klotsende uren, waarover een man vertelt op een trein. Een meisje van acht rondde een leesproef af en kwam vanuit het zorglokaaltje een klas vol zingende kinderen binnen en de zon werd weerkaatst door een raam van een gebouw verderop en alles was ijl en haar mond viel open en zo ontstond toekomst. Drie vier mensen een kwartier voor het openingsuur aan de Delhaize Borgerhout, gescheiden door een automatische deur van het personeel binnen. Een man koos voor nog één etmaal dat met speed begon, morgen was zijn opname gepland. Afstand van het station tot het Merode-Center 1 is 170 meter. De etalages in dat interval spiegelden, moralistisch. Wie, wat, waar, hoe?

Oude gedachten, lang vergeten verwikkelingen, eindeloze inbedding.

[…]

Neem een dag. De wolken: op elkaar gelijkende meervoudigheden, verspreid door de lucht, een systeem van instortingen. Oude gedachten, lang vergeten verwikkelingen, eindeloze inbedding. ’s Ochtends was het grijs geweest, toen klaarde het op en verscheen er een labiel uurrooster van condenssporen in het blauw. Wat was je onwetend geweest. Tegelijk was er wind, waren er zaden in de wind, was er een volcontinu lozen van elke vorm van eenheid, van een versplinterende oneindigheid aan eenheden, tot stand gekomen in een niemendal tussen aanbouw en afbraak. Daarboven, daarrond, gold (gold altijd al, maar niet altijd al zoals het vandaag gold) afbraak. Zo’n dag is een koppelstuk.

[…]

Op het stadsplan had de wijk, geklemd tussen vier straten, een trapezoïde vorm. De snelweg (noord) en twee steenwegen (oost, west) sneden de ruimte af waarin die vorm was gesitueerd. Alleen in het zuiden was de ruimte enigszins open, daar bleef ze zich dus nog wat uitstrekken, onbepaald en ijl, want daar lag midden in de velden ook het militair kamp en dat was verboden terrein. Hoewel doorsneden door wegen, treinsporen, vluchtlijnen en sporadisch ook door bewegingen van straaljagers en luchtballonnen, leek de plek afgezonderd en begrensd. Hoewel er op zulke momenten weinig anders voorviel dan de was en de plas, dan weggaan om te werken of te winkelen, dan briefwisseling afleveren, dan wegdekken of plantsoenen onderhouden, dan praatjes slaan ook wel, en dan schoolgaan natuurlijk, met bijgaand alle kleine boodschappen en andere geoorloofde onderbrekingen, zoals een brandoefening, een turnles of een lente-uitstap, hoewel dus alles strikt geritmeerde cirkelbanen volgde, die in de loop der jaren misschien wel steeds andere lichamen aanzogen maar in abstracto identiek waren, waardoor er weliswaar op de straten soms een paradoxale, vederlichte openheid ontstond, tenminste voor dromers (in absentia) of afwezigen (present op straat) die zich als bij wonder buiten de circulatie wisten, hoewel dus alles min of meer in kannen en kruiken was, heerste er een ontembare en hypergedetailleerde onrust.

De dag had wat versleten was hersteld of gesnoeid. Elke ochtend begon hij min of meer intact met een naam en de gedachte aan die naam, en met Voor de dag op de wekkerradio, tenminste in sommige huizen, in mijn huis althans.

Vervolgens begon iedereen te bewegen.

Een flauwe maansikkel bij daglicht, als een stempel op een oud document, bijna onzichtbaar, misschien helemaal als iemand het bestand nog éénmaal zou opdiepen.

Bram legde de test af die ik een jaar geleden al, met succes, had ondergaan. Het doel van de test was om de toekomst te voorspellen. Dit was geen tovenarij, want het ging om een toekomst die al georganiseerd was, gespreid in de ruimte, waarin een massa kinderen verdeeld zou worden. Er werden verschillende routes uitgestippeld, naar verschillende van elkaar verwijderde segmenten toekomst, soms vanuit een en hetzelfde huis, maar vaker vanuit verschillende delen van wat dezelfde wijk heette te zijn (en de afstand tot de snelweg vertaalde numeriek de verschillen van de middenklasse, een glijdende schaal, met ergens ook een sprong, naar sociale woningen). Bram wist al jaren dat hij in de vakschool hoorde. Het was hem telkens weer verkondigd geweest door bepaalde leraren die zich vereenzelvigden met de verdeling, een identificatie die niemand hen strikt genomen had opgelegd, al waren zijzelf natuurlijk ooit ook verdeeld geweest.

Nee. Niet zo. Zeg ik.

‘Stop!’

Wolken …

‘Als ge nu niet gaat stoppen met dat gezenuwpees, stuur ik u de klas uit!’

‘Ik …’

Mijn eigen vel kon me afleiden. Het was fascinerend. Ze noemden een zon die door de wolken brak een opklaring maar het was een verscheurde samenhang. Licht! Je kon alles in de lucht zien! Zouden dat spreeuwen zijn? Ze volgden degene die zelf niet volgde, misschien? Moest je oordelen? Ik wou dat ik de tijd kon stilzetten. Als dat niet kon, maakte ik maar een tweede tijd, een extra tijd. Wat zijn vraagstukken? Wat is verbaal? Wou dat ik buiten was. Wat zou mijn mama nu doen?


De Smurf droeg geen handschoenen, hij was gehard en niet vies van wat grond. Op woensdagvoormiddag deed hij de dreef. Op woensdagvoormiddag kwamen daar geen schoolkinderen. Hij droeg een blauwe overall, daarom. Hij plantte de spade in de grond en trok handmatig wat stug onkruid uit.

Meester Willy: ‘Wel, welll, welllll …’


Rita haalde het warme wasgoed uit de droger en stak die in de grote blauwe mand. Ze haalde de wasmachine leeg en stak de natte was in de droger. Het zou kunnen gaan regenen.

Ze praatte maar wat tegen zichzelf.

Niet zo.

Zal eerst de zakdoeken strijken. Winkelen kan later nog.

De dag, een zwijgzame luisteraar, knikte gemoedelijk. Zijn stilte kon omslaan. Ze was dus voorzichtig. Zijzelf, zij was het zelf.

Ze varieerde.

De winkel kan subiet nog.

Op de keukenkast zag ze een object liggen. Ze droeg zichzelf op dit te onthouden, altijd alles te onthouden, vooral waar alles was, en dit werd hersens, een geest die veertig jaar later nog steeds haar slaap zou verstoren.

Hoop maar dat hij het goed doet.

Maar het is wat het is.

Wat het is, antwoordde de dag.

Ze droeg de blauwe mand naar het salon. Het was heel stil in huis, alles echode kort en dof. Ze streek zakdoeken, maakte stapeltjes: kinderen, volwassenen. Die van de kinderen hadden tekeningen van zachte dingen in verbleekte pastelkleuren.

Deze maar beter bij de jongens.

Ze registreerde de slijtage en bekeek elke tekening zoals men naar dingen kijkt die normaal zijn, die de week ritmeren: vermoeid, maar niet zonder gedachten, misschien met gedempte angst, voor wat de stem zou zeggen. Soms in de supermarkt … Soms werd ze …

Zo moe …

Soms werd ze in de supermarkt zo emotioneel. De muziek was … Het was de herhaling, het waren de vormen van gevormde gevoelens en …

Elk ding was een blokkade van de materie, een stukje consensus, een vorm van herhaling. Zonder ons, dacht ze, zouden er geen zakdoeken zijn. Zonder mensen …

Nee.

Is dat niet gek?

Niet zo.

Het licht stroomde over de tegelvloer, de vorm van het raam was daarin een bassin, een sluis. Ze rook de lichamen die nu niet in huis waren. Ze kon wel huilen. Radio. ‘Luister naar je hart.’ Nee.

Ons Brammeke toch.

Niet zo.

Sneed achteloos met een breekmes in een potlood. Mag niet. Het is maar wat prutsen maar het herhaalt zich en je geraakt eraan gehecht en je wordt een prutser, handeling wordt ding, en door herhaling beland je uiteindelijk in de vakschool, wat kan ik doen, waar de jongens van de achterste bank het schoolmeubilair gewoon door het open raam gooien, en men direct kletsen geeft om er zelf maar geen te gaan krijgen, en naar een oude eik en een lantaarnpaal op een straathoek tussen velden waar ik de auto van de vriend van een vader perte totale rijdt en bijgevolg een probatiemaatregel, en de volgende maatregel, of niet, misschien wel veeleer een goed lief en de bouw, voert naar de bakstenen muren, de samengevoegde elementen waarvan ik de oppervlaktes zal leren kennen, zoals men herhaling leert kennen: niet.

Ik heb toch armen en benen die als bij wonder uit mijn gezichtsveld groeien?

[…]

Claes. De Meyer. Goerlandt. Hendrickx. Jansen. Janssen. Ördek. Pleysier. Roekeloos. Saenko. Sels. Tobée. Van Baelen. Van Bijlen. Verbijlen. Willems. Zahnoun.

[…]

Plots een vlucht vogels, alsof het silhouet van de oude eik langs zijn uiteinden desintegreerde en door de lucht verspreid, zoals zaadpluis, het landschap plots dierlijk geworden, en de boom oploste in de … in de wat? De wat eigenlijk? En de trein, die dwars door het kamp sneed, door het ruisende geheel. Alle dagen. De grond trilde onophoudelijk, elke korrel trilde met de andere mee.

Klaar. En nu … Hoe? Wat niet? Aldi. Even. Hier.

Ik was zeventien. Het was twee over negen en hij had negen uur gezegd. Hij moest godverdomme zelf al in zijn bed liggen godverdomme! Dat had hij gezegd.

Vake, godverdomme, vake? Twee keer? Ikke. Zei het niet he. Maar ik dacht het!

Hij had klaargestaan achter de deur. Raasde alles uit zijn lijf, bokste een labiel fort in elkaar, stak er alles in, al wat hij in twee minuten razernij kon proppen, alle frustratie over alles waarop hij zelf dagdagelijks blokkeerde.

En ik deed altijd alles, bijna alles wat hij verwachtte, ik deed altijd zo hard mijn best. Maar het was nooit genoeg, het was alsof ik mezelf dan maar helemaal moest terugnemen, alles van mij moest inhouden. Sorry dat ik leef! Ik moest gewoon flinker dan flink zijn en voor de rest was ik te dom natuurlijk, van mij werd niks anders verwacht dan gewoon lief en dom te zijn.

Opnieuw. Ik zag zijn silhouet door het matglas achter de deur van dat gezellige kleine huisje staan waar iedereen altijd op elkaars kap leefde. Ons moeke moest ons vake maar eens opvoeden. Stout van mij he? Maar ons vake was zo frontaal als een dieseltrein. Als je hem tegenkwam, dan was dat altijd op zijn spoor, nooit op je eigen wandel of in een zone die nog niemand toebehoorde. Kon op zijn handen de trap opwandelen, dus heel soms als je zomaar van je slaapkamer of van het stortbad kwam, dan kwam je eerst zijn voeten tegen, en dan pas zijn onnozele clownsgezicht, ondersteboven: dag Rietje. Had altijd aandacht nodig natuurlijk. Lachte wel eens dat hij de Man met de Anorak was, voor wie zich dat nog herinnerde. Racete dag in dag uit als een halvegare met de fiets langs de vaart naar de Crown Cork en recht vanuit Antwerpen terug naar huis, om daar direct in stelling te gaan staan. Brak zijn teen eens toen hij meevoetbalde met de radio: FC Turnhout, derde klasse, weeral geen promotie. Fietste de volgende dag gewoon naar zijn werk; beetje pijn, vlam in de pijp. En toen hij mij persoonlijk was komen halen in Den Ark … Legde een knoop in de keukenhanddoek om u te laten weten hoe laat het was. Wie niet horen wil!

Maar moet ik daar nu aan denken?

Blijkbaar.

Vanuit Turnhout reden alle treinen naar Antwerpen: terminus tot terminus. Ik ben zelfs niet buiten het Centraal Station geweest, ik ben daar op die lange banken naast spoor 1 gaan liggen. De dag had er geen randen, het was ook een onmogelijk leven, ik was gewoon gaan lopen thuis. Ik ben met de eerste trein teruggegaan en daar stopte het dan. Je herinnert je alles als beeld, zonder specifiek licht, zonder echte schaduwen.

Of wacht.

De grond was wat de wormen gemaakt hadden. Gevoel van hout, een steel, een spade. De Smurf vreesde de rotjoengdie hem die naam hadden gegeven en het was bijna middag.

Ik voelde mij een grillige curve met weliswaar plateaus maar ook met pieken en inzinkingen.

Zo. De Zonnebloemstraat was leeg. De populieren moeten toen nog jong zijn geweest. Ze staken ’s ochtend geel en oranje, waardeloos en voor niks speciaal, in een diep gesatureerde blauw. Ik had al gebeld vanuit de telefooncel in de Stationsstraat. Het was even stil aan de andere kant en toen zei hij: kom nu maar gauw naar huis. Ik op mijn fiets. Moeke had hem dus kunnen kalmeren want waarom anders stond hij zelfs niet achter de deur te wachten toen? Misschien had ik iets geforceerd, iets kapotgemaakt?

Er hing ook een dunne nevel tussen de sneeuwbessenstruiken in de plantsoenen en er was dauw op gras. Het ging een mooie dag worden, je kon op eigen krachten overal heen, of toch naar alle ruimtes rondom, dus waar muren, hekken of afstanden je niet belemmerden. Mijn lichaam leek zich te openen, mijn ribben waren een poort, pijn en plezier vloeiden in elkaar en er was voor één keer eens gevoel. De wijk, al die eendere huisjes, leken eensgezind te zuchten en de lucht zelf werd er opgetild door een simpele speling van het lot.

Hij zei: Rietje maske toch.

Ik zei niks.

Waarom?

Vake het spijt mij.

Sjt …

Er moet toch een lange weg tussen die populieren en dit huis liggen? Als je alle kleine bewegingen naast elkaar legt, dan beland je in de ruimte. Maar ik ben alles vergeten. ’s Nachts slaap je natuurlijk. Dan verandert de wereld. In hoeveel werelden heb ik dan al geleefd? Er waren toch bepaalde zorgen geweest die alles leken, ik had mijn tijd toch aan die zorgen gespendeerd, tot ze geruisloos als de wolken door nieuwe zorgen waren vervangen, nieuwe mensen, mijn kinderen.

Dolfijnen, ballonnen, pony’s.

Maar één ding blijft … Al kun je het niet …

Naar een gouden hart …

O waarom kan niet iedereen … gewoon lief zijn voor elkaar?

Grijze dagen, onkenbare regendagen, als mortel in een leven als een muur, geen leven, maar laat het los, leven heeft ons gek gemaakt, ik heb toch armen en benen die als bij wonder uit mijn gezichtsveld groeien? Ik doe dit, ik doe dat. April 1994. En ik word oud. Zevenendertig.

Bij de dreef vochten de eksters om een kadaver. Het was een dode ekster.

Ik sneed met mijn schaar, niet gemaakt voor linkerhanden, wat dieper in de zwarte vinylband die mijn bank omzoomde. Het vinyl brak eindelijk en ik bevrijdde de band uit het gleufje en beleefde daar wat plezier aan, het was goed om mijn vingers te benutten. Licht: is het niet het vreemdste ding? Is alles niet te klein of te groot? Ik leer niks! Stukjes licht te klein, de omgeving al te groot, en dat is niet eens heel groot. Het volume van de wolken, een kubisme van gassen. De stoelen zaten vast aan de bank. Waarom? Mijn buurjongen had rode kaken, helder afgelijnde vlekken, als landen, eilanden, in een ontzettend bleke huid. Hij zweette, de haartjes bij zijn slapen waren nat. Ik kon hem ruiken, het was zuivel, aardbeiensmaak, de idee aardbei, het was ook zijn zweet, ik kon zijn voedsel in zijn zweet ruiken, zuivel en de idee aardbei in zijn afscheidingen. De hele klas rook subtiel naar menselijk bestaan. Het raamwerk werd op de vloer geprojecteerd. Het was ontzettend, ondraaglijk onbeweeglijk, zodat er een grote druk op leek te worden uitgeoefend, alsof de dag het raamwerk met alle macht uit een onverzettelijkheid probeerde te duwen.

‘Hoe is het mogelijk?!’

Laat mij! Ik richtte mijn aandacht opnieuw op het papier, dat nat was geworden waar mijn klamme rechterhand had gerust, en vervolgens weer was opgedroogd.

‘Steek die schaar nu in je lessenaar!’

Mijn vulpen was vervormd, ik duwde te hard, soms te hard, een onherroepelijke sporadische kracht, ik voelde mij een grillige curve met weliswaar plateaus maar ook met pieken en inzinkingen.

‘In! Erin!’

Er was een vuile plek waar mijn tintenkiller de vezels van het papier had geweekt.

‘In de lessenaar!’

Ik had te lang gewist, er viel niet meer fatsoenlijk op te schrijven. Maar ik had mijn achternaam fout geschreven, ik had een lus te veel gezet. Ik probeerde de schaduwen te volgen, hen te zien bewegen. Natuurlijk licht, ze noemen ook de lampen licht, het is allemaal energie, maar het heeft geen massa, het is straling. Zo had mijn papa het uitgelegd. Maar wat straling precies is, hoe zoiets op afstand werkt, hoe snel onmiddellijk is, dat wisten ook papa’s niet. Het raam stond op een kier. Weeral een plek waar ik niet ben. Bij de dreef vochten de eksters om een kadaver. Het was een dode ekster. De Smurf joeg ze weg en schepte het lijk in zijn container. De gordijnen, licht van stof en doorschijnend ecru, bewogen door de trapezium. Het raamwerk bleef ter plekke trillen, voor deze progressie was ik te snel. Ga voorbij! Zoete buitenlucht op gevoelig oppervlak. Te snel klopt niet? April 1994, schoolagenda. Mijn huid. Ik kreeg jeuk. Mijn existentie vernauwde tot een neusvleugel. Er was geen juiste maat, zeker niet mijn eigen lijf. Gelukkig was ik goed in irriteren, dat was ook studeren, experimenteel, ik kwam te weten hoe de dingen reageren. Ik maakte propjes met het kladpapier, stak die in mijn mond, perste ze daarna tussen mijn vingers tot zoete balletjes, schoot ze weg met mijn duim, mikte met succes in het oor van Dennis, sukkel, niet gezien, fieuw. Meester had de verwarming hoger gezet, de rode vlekken verspreidden zich nu over de huid van vele kinderen.

[…]

Niet juist. In het archief, warm, oud gebouw. Nog steeds. Herhaling van het alfabet, mijn talent: tekens lezen. Uitsnede sociaal lichaam in de Kast Actieve Dossiers, in de Kast Opschorting, in de kast Voorstel Herroeping, in de kast Afgesloten. Datum begin en einde. Uitstel drie jaar, uitstel vijf jaar. Familienamen, soorten delict. Warm, broeierig, stoffig. Lange bogen, intervallen. Maar niet één richting, wel beweging. Concentreer.

Lees meer van #109 ONAF

Het onaffe is een breed begrip, dat – hoe kan het ook anders – vele voorlopige gedaantes aanneemt, van procesmatig en ontwikkelingsgericht tot onafgewerkt en onvoltooid. In rekto:verso's lentenummer verkennen cultuurcritici en makers welke plaats het onaffe heeft binnen een kunstenbeleid dat vooral inzet op productie en resultaat. Of is 'onaf' ondertussen zelf een beleidsfetisj geworden?