Lente 2021

Op 8 december 2019 verdedigde Lucas Vandervost, acteur, regisseur, docent en medeoprichter van theatergezelschap De Tijd, zijn doctoraat in de kunsten. (De dag klonk overigens niet als een verdediging. Er waren heel veel mensen, veel muziek en veel lasagne. De dag klonk eerder als een bruiloft, maar dat zal vooral voor het publiek zo zijn geweest). Freek Vielen en ikzelf mochten het eerste exemplaar van zijn doctoraat met de titel De hiel van Kuifje in ontvangst nemen.

In wat volgt zult u de woorden lezen die ik uitsprak bij die gelegenheid. De bladspiegel en het gebrek aan interpunctie lijken te suggereren dat het een gedicht is, maar het is opgeschreven om te kunnen voorlezen. Er zijn dingen die aan u voorbij zullen gaan als u er niet bij was en als u Lucas niet kent. Het is de hoop dat mijn achting voor Lucas en mijn achting voor zijn taal – die mij hielp om te gaan met vrijwel alles – enigszins spreekt uit deze speech.

© Anke Van Meer

    1.

    vorige week stuurde ik Lucas een sms’je
    met de vraag of hij mij de tekst kon doorsturen van de voorstelling

    de ondergang van de Titanic heeft nooit plaatsgevonden

    een voorstelling die vijf jaar geleden
    eenmalig in de Grote Post stond
    tijdens Theater aan Zee

    ik vroeg het
    omdat ik me iets meende te herinneren uit die voorstelling waarvan ik dacht dat het mooi zou zijn om vandaag te citeren

     

    1.  

    ik kreeg een sms’je terug waarin hij schreef
    dat ik het misschien heel vreemd zou vinden
    maar dat hij de tekst niet meer heeft
    (of beter gezegd schreef hij
    ik vind hem niet meer

    waaruit ik opmaakte dat hij vermoedde dat de tekst nog wel ergens was
    in zijn herinnering bijvoorbeeld
    maar hem gewoon niet meer kon vinden)

    ik schreef terug dat het me helemaal niet verbaasde dat hij de tekst
    niet meer kon vinden
    sterker nog, schreef ik: ik was er eigenlijk van uitgegaan dat je de tekst niet meer had
    zoals het me ook absoluut niet verbaasde dat deze dag
    met een concert
    en een voorstelling
    een presentatie
    een doctoraatsverdediging
    een doctoraat en een diner
    de kunst van het verdwijnen heet

     

    1.  

    ik weet niet precies waarom dit me allemaal niet verbaast
    het zal op een of andere manier verbonden zijn met het feit dat
    toen ik hier als student kwam
    ik op dag twee
    de opdracht kreeg om op een lege vloer te staan
    met een liefdessonnet
    en om vervolgens met dat sonnet
    alles te zeggen
    en niks te verraden

    nadat ik dat had geprobeerd
    middels de zin
    ik zal in de schoot van de aarde
    smaragden opzij schuiven om jou te kunnen ontwaren
    zocht ik de blik van de docent
    (Lucas)
    om te horen of het gelukt was
    om alles te zeggen
    en niks te verraden

    maar hij stond uit het raam te kijken
    met zijn handen in zijn zakken
    zonder opschrijfboekje
    wat ik toen uiterst vreemd vond
    ik denk dat ik de aanwezigheid van een opschrijfboekje
    associeerde met betrokkenheid
    en de afwezigheid daarvan
    met het tegendeel

    ook jaren later
    na mijn afstuderen
    las ik vier uur lang iets aan hem voor
    een braakliggend terrein van tekst
    waar ergens – zo dacht ik – een voorstelling in besloten lag
    ook toen had hij geen opschrijfboekje
    en wel een repliek
    van een of twee zinnen

    ik begreep niet hoe dat kon
    twee zinnen zeggen
    en toch niet met een kluitje in het riet gestuurd zijn

     

    1.  

    ik begreep niet hoe dat kon
    en was daar jaloers op
    op dat gebrek aan een opschrijfboekje
    ik ben dat nog steeds

    volgens mij zijn we hier niet samen voor de presentatie van een opschrijfboekje
    dit (verwijst naar docoraat) is geen opschrijfboekje
    het is zelfs geen boekje
    het is niet gebonden

    wat tot gevolg heeft dat wanneer je dit leest
    in een café
    naast de deur bijvoorbeeld
    er bladzijdes wegwaaien als de deur opengaat

     

    1.  

    typisch
    dacht ik
    Lucas schrijft een doctoraat
    dat kan wegwaaien als er even een deur opengaat
    dat wellicht zelfs weg mag waaien
    als er ergens een deur opengaat

    het is verbonden
    maar niet gebonden
    een beetje zoals wij hier nu
    in deze doos zitten
    en een constellatie vormen

     

    1.  

    dat dit nu niet gebonden is
    dat Lucas nooit aantekeningen maakt
    las ik
    en lees ik nog steeds
    als een daad van vertrouwen
    een vertrouwen in het moment
    een groot vertrouwen in het idee
    dat het wel met ons zal meekomen
    als het belangrijk is
    en als dat niet gebeurt
    dat dat dus niet erg is

     

    1.  

    in hoofdstuk 42
    ik weet niet of hoofdstuk het goede woord is eigenlijk
    in deeltje 42
    elementair deeltje 42
    staat de vraag
    ‘komt “het vanzelf”
    vanzelf?’

    terwijl ik nadenk over die vraag
    gaat er een deur open
    in het café waar ik zit
    en raak ik hoofdstuk 42 heel even kwijt
    en vind het terug
    onder de voeten van een meisje met een skipak aan
    dat net met haar vader was binnen gestapt

    ik kijk haar aan
    zeg haar dat ze op deel 42 staat
    ik wijs naar haar skischoenen
    en ze stapt van het papier af
    gaat naast haar vader zitten
    oefent met het strikken van zijn veters
    voor haar te behalen diploma

    terwijl ik daarnaar kijk
    word ik vergezeld
    ongenodigd en tegelijkertijd
    door mijn herinneringen aan deze school, de lessen van Lucas,
    en deel 42
    – komt het vanzelf vanzelf –
    en een 85-jarige taomeester
    die ik een paar jaar geleden opzocht
    – met een opschrijfboekje en een opnameapparaat

    hij zette me na een kopje thee de deur uit
    om een taoïstische ceremonie voor te bereiden
    een diner zou het worden
    in de gang zag ik het servies staan
    wijnglazen zonder voetjes

    ik vroeg wat dat was
    die glazen moet je neerzetten op tafel
    zei hij
    waarna ze natuurlijk direct omvallen en
    mensen spontaan van hun stoel moeten opspringen om ze op te vangen

    het is mijn taak
    als taomeester
    om Gelegenheid te creëren voor het vanzelf
    want dat is de tao

     

    1.  

    die ceremonie
    het oefenen voor het veterdiploma
    deel 42
    waren daar in dat café
    terwijl mijn koffie koud aan het worden was

     

    1.  

    ik had die man opgezocht omdat ik wilde weten wat circulaire tijd is
    en taomeesters schijnen dat te weten
    ik had ook een opnameapparaatje bij me
    en terwijl ik dat ding tussen ons in legde
    zei ik sorry
    het zag eruit als mijn grote onvermogen met een plofkap erop
    van mij mag je alles opnemen zei hij
    maar je zult daardoor minder goed luisteren
    ik knikte
    daar heb je waarschijnlijk gelijk in zei ik
    en had toch de moed niet om het weg te halen
    na vijf minuten was mijn opnameapparaatje gestopt met vastleggen
    bleek toen ik het terugluisterde
    en dus moest ik het doen met mijn herinnering aan wat hij had gezegd
    over circulaire tijd
    wat heel weinig is

    ik herinner me dat het waar was
    wat hij zei
    maar wat hij zei
    herinner ik me niet

    en daar zal ik het mee moeten doen
    met de herinnering aan waarheid
    of eigenlijk de herinnering aan de ervaring van waarheid
    en dan de woorden daarvoor niet meer hebben

    ik vroeg hem ook nog waarom zoveel in de tao te tjing
    in tegenspraak was geformuleerd
    waarop hij zei
    dat je anders bezit zult nemen van de woorden die er staan
    en dat dat nooit goed kan aflopen

    ondertussen doet de vader het nog één keer voor
    heel langzaam
    maakt hij zijn veters vast
    en weer los
    ooit komt het vanzelf
    vanzelf
    zijn handen zijn het bewijs

    _

    wat ik had gehoopt te kunnen citeren
    uit de voorstelling
    de ondergang van de Titanic heeft nooit plaatsgevonden

    was een deeltje over Petrarca
    over wie wordt gezegd dat hij als eerste een berg beklom
    gewoon
    of niet gewoon
    helemaal niet gewoon
    maar om naar beneden te kunnen kijken
    en ik geloof dat er een korte stilte viel
    tijdens die voorstelling
    waarna de zin kwam
    en hij stond daar
    met Augustinus in zijn binnenzak

    en ik weet nog
    dat ik op dat punt in de voorstelling
    moest huilen
    waarom weet ik niet precies
    maar het had te maken met het idee
    dat Petrarca natuurlijk niet alleen
    niet alleen maar met zijn eigen eenzaamheid
    die berg op is geklommen
    maar de eenzaamheid van Augustinus in zijn binnenzak droeg
    de eenzaamheid van Augustinus nodig had
    om die berg op te kunnen

    en je kunt natuurlijk nooit weten of Petrarca het uit zijn hoofd kende
    de belijdenissen
    en of hij staande op de berg
    dacht aan het citaat
    dat ook in De hiel van Kuifje staat

    ‘Een tegenwoordige tijd van het verleden, een tegenwoordige tijd van het tegenwoordige en een tegenwoordige tijd van het toekomstige. In de ziel bevindt zich dit drietal, elders dan in de ziel zie ik dit niet: de tegenwoordige tijd van het verleden is de herinnering, de tegenwoordige tijd van het tegenwoordige is de aanschouwing, de tegenwoordige tijd van het toekomstige is de verwachting.’

    ik kan me goed voorstellen dat je een berg wil beklimmen
    omdat je precies in het midden van dat landschap wil staan
    en herinnerd wil worden aan het feit dat het verleden
    het heden en de toekomst
    allemaal een soort van tegenwoordige tijd is

    dat je een berg opgaat omdat je herinnerd wil worden aan het feit dat je de dingen misschien niet meer hebt
    je haar
    je gehoor
    je jeugd
    maar dat ze er nog wel zijn

     

    10.

    het nisje bijvoorbeeld voor het raam in Amsterdam Zuid, waar de taomeester woont en waar twee mannen bezig zijn met het snoeien van de bomen buiten
    we drinken thee en ik vraag hem wat circulaire tijd is
    hij zegt heel lang niks en ik vraag me af of dit zijn antwoord is
    uiteindelijk zegt hij

    wij zitten hier nu thee te drinken
    voor ons zaten er al mensen thee te drinken
    en na ons zullen hier mensen thee drinken
    wij zitten hier dus al een eeuwigheid thee te drinken.

    ook dat leek me een daad van vertrouwen
    alsof die manier van ernaar te kijken
    je de toestemming geeft om te verdwijnen
    omdat dat eigenlijk niet gebeurt

    in het begin van de Nwe Tijd werd mij weleens gevraagd
    of ik niet bang was voor een te dwingende erfenis
    die vraag is mij allang niet gesteld
    maar als mij die vraag nu nog gesteld zou worden
    zou ik zeggen dat ik niet bang ben voor een erfenis
    maar nogal dankbaar dat ik een afkomst heb

    ik geloof dat ik die ervaring uit de voorstelling wilde citeren
    wat niet kan
    en ook daar ben ik blij mee
    dat ik het eigenlijk niet kan citeren

    wij zijn hier nu samengebracht
    in deze doos
    en als de deur opengaat
    waaien we weg
    sowieso
    althans ik
    ik waai heel makkelijk weg

    en misschien dat ik
    als ik iets zou willen citeren van deze dag
    in mijn eentje een berg ga beklimmen

    en misschien dat ik iets
    iemand van deze dag tegenkom
    jullie allemaal tegenkom
    in de tegenwoordige tijd van
    heden verleden en toekomst

    ik heb geen idee wat ik boven op die berg ga denken
    terwijl ik achteloos mijn veters strik
    een steentje leg op de berg van andere stenen
    een berg die in feite een opschrijfboekje is dat zegt
    wij waren hier

    ik heb geen idee

    maar als ik de inhoud van deze doos mag geloven
    en precies op de goede plek ga staan in de spanningsdriehoek van de geest
    van de genade
    van de ziel
    en de zeilen van verwondering opgetrokken zijn
    dan is er gelegenheid

    en dan bestaat er de kans
    dat de rest
    vanzelf komt

    Rebekka De Wit

    +++

    Rebekka de Wit

    is schrijver (1985). Ze studeerde in 2011 af aan de opleiding Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Vanaf 2016 nam ze samen met Freek Vielen en Suzanne Grotenhuis de artistieke leiding over van het Antwerpse theatergezelschap De Tijd. Samen vormden ze het om tot theater de Nwe Tijd. Sinds 2020 is ze columnist bij dagblad De Standaard.