nr 88

Zwijgen de koning en de staat, dan spreekt de burger in hun plaats. In 2019 ging de schrijfwedstrijd Sorry is een begin op zoek naar de beste Belgische verontschuldiging voor het koloniale verleden. Maar is zo’n excuus wel voldragen zonder weerwoord? Laureaat Dagmar Dirkx en rekto:verso-redacteur Hugues Makaba Ntoto schrijven een kritische brief terug.

De originele brief

Dit is de originele brief:

Aan de gehele Congolese, Rwandese en Burundese bevolking, zowel in Congo, Rwanda, Burundi, als in België,

‘Wie heeft de vrijheid om te vergeten?’ Het citaat komt uit de film Aphasia (2019) van de Servische kunstenaar Jelena Jureša. Afasie is een taalstoornis als gevolg van een hersenletsel. Wie aan afasie lijdt, stottert en krijgt moeilijker zinnen gevormd. Blijkbaar is stotteren ook wat wij doen als we ons voor ons koloniaal verleden moeten verontschuldigen. Volgens Jureša lijdt de Belgische bevolking aan collectieve afasie wanneer ze haar koloniale erfenis onder woorden brengt.

Onze excuses waren tot nu toe halfslachtig. Onze regering herdacht slechts enkele slachtoffers, nooit de gehele bevolking. Het Patrice Lumumbaplein in Elsene kreeg niet de eervolle plek die het verdient. Bordjes bij koloniale standbeelden geven amper genuanceerde uitleg en trekken geen aandacht. Het hernieuwde AfricaMuseum bleef steken in ‘ja, maar’. We verzwijgen: onze excuses komen niet verder dan flauw gestotter. We vergeten: maar enkel omdat we de vrijheid hebben om te vergeten. Nee, met de littekens van onze koloniale erfenis worden we nauwelijks geconfronteerd. Maar ook wie verdringt, komt vroeg of laat zijn spoken tegen.

Ik ben blij dat ik in 2014 – hoe laat dan ook – in aanraking kwam met die spoken. Kunstenaars en historici openden mijn ogen en die van anderen. Plots herkenden we in onze standbeelden de portretten van massamoordenaars. We ontdekten in Zwarte Piet een oude traditie die de koloniale machtsverhoudingen schaamteloos reproduceert. We vernamen hoe talloze Congolese soldaten de meest verschrikkelijke taken kregen toebedeeld in een door ons naïef als ‘Europees’ gepercipieerde Eerste Wereldoorlog. We trokken grote ogen toen we hoorden over de Belgische opdracht voor de moord op Lumumba. Konden niet anders dan stilte laten vallen toen we inzagen dat onze luxe gebouwd is op eeuwenlange plunderingen van jullie rijkdom: koper, goud, rubber. Voor al het leed dat we jullie bevolkingen hebben aangedaan, deze oprechte verontschuldiging.

Een tijdje geleden zei een museumdirecteur tegen me: ‘Sorry voor de puinhoop die mijn generatie aan de jouwe achterlaat.’ Hij had het ongetwijfeld over de miserabele toestand van het klimaat, een dolgedraaid kapitalisme en een samenleving waarin mensen met een andere afkomst, kleur, gender, seksuele oriëntatie of klasse niet dezelfde kansen krijgen als hij: een rijke, witte man aan de top. Zijn excuus voelde wrang, het leek niet alsof hij dat systeem van exclusie anno 2019 wél zou veranderen.

Net zo wrang voelt het om ons voor een verleden te verontschuldigen in een heden dat evengoed koloniaal gekleurd is. Deze sorry is slechts een begin. Ze kan niet zonder voornemens blijven. Vanaf vandaag stemmen we op partijen die elk land zijn soevereiniteit gunnen. Vanaf vandaag krijgen jullie in ons onderwijs en onze media het woord over de koloniale schandvlek. Vanaf vandaag praten wij met elkaar over hoe onze geschiedenis vanuit verschillende standpunten moet worden belicht, gewikt en gewogen, hoe onze publieke ruimte recht kan doen aan die geschiedenis, hoe onze landen elkaar kunnen ondersteunen.

De littekens van de Belgische onderdrukking in Congo, Rwanda en Burundi verdwijnen niet. Maar in samenspraak moeten wij wel proberen om de wonden te helen. Niet door de vrijheid te nemen om te vergeten, maar de vrijheid om te herinneren en samen een nieuwe toekomst aan te gaan.

Onze oprechte excuses,

Namens de gehele Belgische bevolking.

Geen excuus zonder dialoog

Dagmar Dirkx

Geïntrigeerd door de (on)mogelijkheid van een collectief excuus, nam ik in 2019 deel aan Sorry is een begin. Mijn brief eindigde in de top vijf, geselecteerd door een jury van opiniemakers, schrijvers, historici en kunstenaars. De Belgische bevolking kon via een online poll haar favoriete verontschuldiging aanduiden. Uiteindelijk won de brief Lieve mens uit Congo door Bregtje Van Bockstaele, die samen met de andere brieven aan de Congolese ambassade werd overhandigd. De initiatiefnemers motiveerden dat als volgt: ‘Als land is het tijd om in het reine te komen met ons koloniale verleden. En wat ons staatshoofd niet deed, deden wij als bevolking wél. Sorry is een begin.’ Toch voelt het alsof sorry vooral strandt als een begin. Werd de wedstrijd vooraf aangekondigd met een heus mediaoffensief, dan was de stilte na afloop oorverdovend.

Nochtans was net de belofte van een publieke discussie mijn belangrijkste motivatie om deel te nemen. Het is een prikkelend idee: een veelvuldigheid aan stemmen die zich in verschillende brieven excuseren voor de wandaden van de Belgische staat. Eerder naïef vermoedde ik dat het competitieve element zou worden afgevlakt naarmate de wedstrijd vorderde, maar het klassieke wedstrijdformat gaf de deelnemers geen kans tot onderlinge dialoog. Daarmee haalde de wedstrijd zijn eigen titel onderuit. Sorry is een begin… waarvan eigenlijk?

Wie zijn ‘wij’?

Een pijnpunt van Sorry is een begin bleek het kleine aantal deelnemers. Slechts 177 mensen stuurden een brief in. En ook los van die beperkte steekproef is het vreemd om als organisator te spreken over ‘één voldragen sorry aan alle Congolezen’. Geen wonder dat de campagne bij veel mensen in het verkeerde keelgat schoot. Op sociale media kregen de organisatoren heel wat kritiek. ‘Politiek correct gedoe!’, verweet de één hen. ‘Waarom zou ik me moeten verontschuldigen voor iets wat Leopold II heeft uitgevreten?’, schreef een ander.

Zulke reacties bewijzen dat er nog véél te leren valt. Allicht is een nationale sorry pas mogelijk wanneer het gros van de bevolking ook op de hoogte is van die koloniale wantoestanden. Veel geselecteerde verontschuldigingen kun je dan ook lezen als een oproep aan de overheid en het koningshuis. Investeer in die kennis. Ga die dialoog aan. Bied je excuses aan, maar laat die geen eindpunt vormen.

Geen eindpunt dus, en zo greep ik deze kans aan om mijn brief te herlezen. Daarbij stuitte ik op dingen die ik vandaag beslist anders zou formuleren. Vooral de opgesomde voornemens laten na 26 mei 2019 een bittere smaak achter, want Vlaanderen koos die dag overduidelijk voor een rechts-populistisch discours. Het ‘wij’-perspectief van waaruit ik schreef was onterecht generaliserend. De opdracht van de wedstrijd gold: schrijf een brief in naam van de Belgische bevolking. Helaas heb ik die nogal stug opgevolgd. Ik schreef vanuit een persoonlijke overtuiging en extrapoleerde die gemakshalve naar de hele bevolking.

Wie is die ‘wij’ in mijn brief? Vanuit welk perspectief mag je schrijven wanneer het gaat over de excuses voor decennialange koloniale overheersing? Onlangs las ik een interview uit 2005 met de Iraanse Marjane Satrapi, bekend van de graphic novel Persepolis, gepubliceerd op de Amerikaanse nieuwssite Salon. Het gesprek handelt over de troebele grens tussen een persoonlijk en een politiek perspectief en op een vraag over de relatie tussen Iran en de VS antwoordt Satrapi als volgt:

‘The world is not divided between East and West. You are American, I am Iranian, we don’t know each other, but we talk together and we understand each other perfectly. The difference between you and your government is much bigger than the difference between you and me. And the difference between me and my government is much bigger than the difference between me and you. And our governments are very much the same.’

De afstand tussen overheid en burger: net als onze afstand tot de periode van kolonisatie verklaart die de moeilijkheid van een nationaal excuus. Vandaag leeft misschien het gevoel dat het koloniale verhaal indertijd boven de hoofden van burgers gebeurde. Toch was het koloniale systeem er één dat de hele Belgische bevolking mobiliseerde, van dokters tot missionarissen, leraren tot regisseurs, handelaars tot ministers. Over de grijze zones van individuele, politieke en collectieve verantwoordelijkheid zijn talloze artikels geschreven. Zo lastig is de zoektocht naar het juiste perspectief in geschiedschrijving, maar ook in het optekenen van een verontschuldiging.

Gesprek met twee

In Satrapi’s citaat zit een passage die ik interessanter vind dan die over afstand. ‘Jij bent Amerikaans, ik ben Iraans. We kennen elkaar niet, maar toch spreken we hier en nu met elkaar en begrijpen elkaar perfect.’ Na mijn deelname ontving ik een reactie van een buurvrouw van mijn ouders. Als Rwandese in België vertelde ze me dat ze geraakt was door mijn brief en hem had vertaald voor haar familie in Rwanda. Haar reactie leerde me twee dingen.

Allereerst dat een verontschuldiging wel degelijk erkenning kan bieden: de koloniale wantoestanden hebben plaatsgevonden, het trauma bestaat en de pijn is reëel. Erkenning impliceert geen verzachting van de wonden, laat staan ‘herstel’. Misschien is die taak te groot voor een brief alleen. Maar samen met zijn reactie kan een brief wel aanzetten tot een nieuwe dialoog, waarbij mijn buurvrouw en ik, vanuit een verschillend perspectief, ‘met elkaar kunnen spreken en elkaar perfect kunnen begrijpen.’

Idealiter staat die ‘wij’ in mijn brief inderdaad voor de hele Belgische bevolking, waarbij zowel overheid als burger het verleden onder ogen zien en het gesprek opstarten via collectieve excuses. Tot dat gebeurt, houdt niets ons tegen om dat gesprek individueel te voeren. Maar dan wel met twee. Mijn Rwandese kennis confronteerde me met iets wat ondervertegenwoordigd was in mijn brief: het perspectief van de ontvanger. Je kunt een geschiedenis nog zo grondig uitpluizen, als je niet spreekt met mensen voor wie het koloniale trauma een dagelijkse realiteit is, ga je de mist in. Ik had al veel eerder bij de buurvrouw van mijn ouders moeten aankloppen maar heb dat nog steeds niet gedaan. Mijn excuses: ik kom eraan.

Sorry is een werkwoord

Hugues Makaba Ntoto

Hoe je verontschuldigen voor het koloniaal verleden van je eigen land? Een eenvoudig antwoord op die vraag bestaat niet en is ook niet wenselijk. De omvang van het onrecht en menselijk leed dat Congo werd aangedaan als Belgische kolonie en domein van Leopold II vraagt introspectie, nederigheid en berouw. Het soort berouw dat streeft naar een rechtzetting. Maar er is geen sprake van een rechtzetting als die enkel dient als uitweg voor collectieve schuldgevoelens en schaamte.

Spijt voor het koloniaal verleden is slechts het begin van een lang gesprek, dat gewaagder moet zijn dan de schrijfwedstrijd Sorry is een begin. Het initiatief van Creative Belgium en het reclamebureau Happiness was in eerste instantie een actie om beloftevolle auteurs te ronselen voor een masterclass copywriting. Tegelijkertijd wilde Creative Belgium tonen dat ook reclamemakers bekommerd zijn om maatschappelijke thema’s als kolonialisme en dekolonisatie. Maar goede bedoelingen zijn louter afleiding als de vorm van de verontschuldiging hen in de weg staat.

Als goede bedoelingen niets uitmaken voor de slachtoffers van kolonisatie, is dat omdat zij de dader centraal plaatsen. Een narratief waarin de verontschuldiging aan het slachtoffer een gift is, bestaat enkel bij gratie van de dader die een knieval maakt. Dat is de positie waarin de campagne Sorry is een begin zich bevindt. De ‘lieve mens uit Congo’ is een abstractie, zichtbaar als idee, maar verder zonder stem. Ze wordt opnieuw ontmenselijkt. Woorden kunnen inderdaad werelden veranderen, zoals Creative Belgium schrijft op de website van zijn wedstrijd. Maar woorden kunnen evengoed de illusie van verandering of actie opwerpen.

Een oproep als Sorry is een begin kan natuurlijk onmogelijk een rechtzetting bewerkstelligen zoals de Belgische overheid dat kan. Dat was ook niet het doel van deze schrijfwedstrijd, vooral gericht op het vinden van scherpe pennen. Maar de oproep aan briefschrijvers ontstond niet in een vacuüm: ze paste binnen de ruimere context van dekolonisatie die sinds enkele jaren meer aandacht krijgt als maatschappelijke kwestie. De postkoloniale herinnering van complete bevolkingen herbergt pijn en hoop en verdient beter dan een simpele objectivering. ‘Eén sorry aan alle Congolezen’ kan nooit voldragen zijn zonder weerwoord.

Natuurlijk: excuses voor de imperialistische handelingen van vorige generaties zijn een mijnenveld voor hun nazaten. Zijn ze nuttig of slechts window dressing om de overheid en politici in een beter daglicht te plaatsen? Zijn ze hoegenaamd correct? Je zou kunnen opperen dat voormalige koloniale machten zich vandaag niet hoeven te verontschuldigen omdat de echte verantwoordelijken niet meer aan de macht zijn. Tegelijkertijd merken tegenstemmen op dat de machtsverhouding tussen voormalige kolonisators en hun koloniën in wezen niet zoveel veranderd is.

Even belangrijk is de vraag of een excuus werkelijk verzoening mogelijk maakt. Wellicht zijn er lessen te trekken uit precedenten, zoals de verontschuldigingen die toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel in 2002 uitsprak voor de rol van België in de moord op Patrice Lumumba. Deze excuses kwamen er nadat een parlementaire onderzoekscommissie had geconcludeerd dat België een ‘onmiskenbare verantwoordelijkheid had in de gebeurtenissen die tot Lumumba's dood hebben geleid’.

De agressor aan het woord

De Belgische verontschuldiging had grote mankementen, zo legde de Britse onderzoeker Tom Bentley bloot in zijn essay Colonial apologies and the problem of the transgressor speaking (2018). Zo was Michel niet expliciet voor de executie van Lumumba, maar alleen voor de ‘apathische en onverschillige neutraliteit’ van de Belgische overheid jegens zijn welzijn. Het waren excuses voor het onvermogen van de overheid om de fysieke integriteit van een Afrikaanse politicus veilig te stellen. Ook erkenden ze niet dat deze moord een uitwas was van superioriteitsdenken en racisme. Omdat het parlementaire onderzoek zich focuste op de periode 1960-1961, zonderde het bovendien de moord op Lumumba af van de ruimere koloniale context die daartoe kon leiden.

Bentley stelt terecht dat achter deze excuses een paternalistische houding schuilt die de idee van de nobele kolonisator als beschermheer van de kolonie in stand houdt. Ook de vorm van Michels verontschuldiging draagt daartoe bij: die bestaat erin dat de koloniale overheid de voormalige kolonie toespreekt en het podium bestijgt om verontschuldigingen te kaderen. Zo eigent de kolonisator zich vanuit een superieure positie het narratief toe om dat naar eigen goeddunken vorm te geven. Bentley herkent daarin een formeel ritueel dat de weg effent voor non-victim centered apologies, en bijgevolg zelfbehoud en zelfgenoegzaamheid. Die uiten zich in de verwoording van de verontschuldiging en de keuze om bepaalde gebeurtenissen te onderstrepen of te minimaliseren.

Het platform voor een historisch pardon van Creative Belgium is niet gelijkwaardig aan een historisch pardon van de Belgische staat. Maar het situeert zich op dezelfde lijn als het soort verontschuldigingen dat Bentley beschrijft in zijn essay. Sorry is een begin is in essentie een marketingstunt die rust op de beladenheid van de koloniale thematiek. De brieven bevatten weliswaar de boodschap voor een ‘gedragen sorry’, maar de protagonisten zijn Creative Belgium en het reclamebureau Happiness. Zij bepalen de rituele vorm en functie (een voldragen sorry) van deze verontschuldiging en beoordelen brieven geschreven aan een onzichtbare ontvanger zonder stem.

Rituals of speaking

Wat gezegd wordt, is dus even belangrijk als wie iets zegt en de specifieke context en vorm waarin een discours plaatsvindt. Een goedbedoeld initiatief om de andere toe te spreken kan diezelfde andere alsnog ondermijnen. De Latijns-Amerikaanse filosofe Linda Alcoff beschrijft dat probleem helder in The problem of speaking for others (1991). Alcoff onderzoekt wat het betekent om te spreken over, namens en met iemand en hoe deze gesprekswijzen werken. Daarbij benadrukt ze hoe moeilijk het is om te spreken over anderen zonder te spreken in hun plaats. In de beide gevallen creëert de spreker identiteiten voor zichzelf en anderen, die enkel ontstaan vanuit de eigen interpretatie.

Het probleem dat daaruit volgt is tweeledig: de sociale positie (of location) van een spreker beïnvloedt de betekenis en waarachtigheid van bepaalde claims. Daarnaast houden geprivilegieerde posities een gevaar in omdat zij inherent deel uitmaken van bestaande machtsstructuren. Wat gezegd wordt, verandert volgens wie spreekt en wie luistert: deze rituals of speaking, zoals Alcoff ze noemt, zijn politiek en dus verankerd in een trekspel waarvan macht en dominantie deel uitmaken. Met Sorry is een begin leiden Happiness en Creative Belgium een dans die weinig agency biedt aan de voorgestelde partner, de Congolese bevolking. Als gevolg houdt het initiatief ondanks goedaardige intenties eenzelfde dynamiek van dominantie in stand die ‘de andere’ behoudt als lijdend voorwerp zonder stem.

Een historisch pardon kan de kijk op het koloniale verleden van dit land veranderen en aanleiding geven tot de teruggave van roofkunst, herstelbetalingen of in elk geval een curriculum dat de koloniale periode niet als voetnoot in de Belgische geschiedenis behandelt. Het debat daarover kan enkel gevoerd worden wanneer we in onze rituals of speaking rekening houden met de posities van onze gesprekspartners en de historische en sociale context van het discours. Alleen zo kan er sprake zijn van een historische dialoog over het koloniale verleden. Want die dialoog is grootser dan het idee van een sentimenteel, individualistisch en egoïstisch verlangen van voormalige agressors om in het reine te komen met de eigen geschiedenis. Aan de orde is een oprechte ondervraging van de machtsverhoudingen en de sociale posities die onze woorden hun gewicht geven.