9, 1/2024

De recente internationale aandacht voor de opvolger van de beroemde Vaticaanse exorcist Gabriele Amorth en een Hollywoodfilm over zijn leven hebben duiveluitdrijving weer in de mainstreamcultuur gebracht. Vlaamse kranten berichtten sensationeel over dit fenomeen, wat leidde tot sussende reacties van kerk en theologen, die benadrukten dat exorcismes tegenwoordig meestal kalme rituelen zijn. Historici wijzen echter op het contrast met de mainstreamopvatting dat bezetenheid en exorcisme verouderd zijn. De geschiedenis van exorcisme laat zien hoe diepgeworteld het fenomeen is in de katholieke leefwereld en biedt inzicht in de rol van de duivel in religie en de plaats van religie in de samenleving.

Met de internationale media-aandacht voor de recente aanstelling van een opvolger voor Gabriele Amorth, de fameuze exorcist van het Vaticaan, en een Hollywoodfilm over diezelfde Amorth staat duiveluitdrijving weer in het voetlicht van de mainstreamcultuur. Ook Vlaamse kranten berichtten de voorbije maanden breeduit over het fenomeen in vaak sensationele reportages. Ze zijn gespekt met anekdotes die doen denken aan de Hollywoodklassieker The Exorcist, die vorig jaar zijn vijftigste verjaardag vierde. In respons op zulke sensatiestukken klonken steevast ook sussende reacties, zowel vanuit de kerk als van theologen. Die benadrukten dat een exorcisme tegenwoordig doorgaans een kalme, bijna serene rite is. Dat klopt (meestal). Voor historici rijzen andere kwesties. Zo staat de recente aandacht voor het fenomeen in scherp contrast met de manier waarop diezelfde mainstreamcultuur bezetenheid en exorcisme vaak als euvels uit vervlogen tijden wegzet. Bovendien verdoezelt ze hoezeer duiveluitdrijving, kalm en sereen of net chaotisch en gewelddadig, door de geschiedenis heen is ingebed in de leefwereld van katholieken: niet alleen van het slachtoffer zelf, ook van diens naasten. Vanuit die optiek kan de recente geschiedenis van exorcisme ons veel vertellen over de plaats van de duivel in religie én over de plaats van religie in de samenleving. Bij een duiveluitdrijving stond immers veel meer op het spel dan enkel het zielenheil van de bezetene.

Fragment van een karton van Leopold Pluys voor een glasraam in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen met de voorstelling van een duiveluitdrijving (1877).

Fragment van een karton van Leopold Pluys voor een glasraam in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen met de voorstelling van een duiveluitdrijving (1877).

'Wat een persoon lijden kan'

‘Etranges souffrances et ce qu’une personne peut souffrir.’ Zo waarschuwt de eerste pagina van een notitieboekje in de archieven van de minderbroeders die in KADOC worden bewaard. Het dateert van het einde van de negentiende eeuw. Wie verder leest, merkt al snel dat de waarschuwing een understatement is. Over vele ongenummerde pagina’s ontvouwt zich het relaas van het leven van een jonge katholieke vrouw uit het Luikse, A. M. Dat leven was getekend door aanhoudend lichamelijk en geestelijk lijden. Ze leek wel voor het ongeluk geboren. Haar kindertijd leefde in littekens verder op haar lichaam; later volgden ettelijke brandwonden en breuken. In 1883 leidde een ongeval met fosfor tot een verlamde arm. Sindsdien verloor ze af en toe haar spraakvermogen. Ze trok met haar aandoeningen langs dokterspraktijken, hospitalen en kapellen. Experimentele medische behandelingen leverden niets op. Wanneer het dan toch beter leek te gaan, viel ze van de trap en brak ze een been. Zelfs in haar slaap vond ze geen rust: in hardnekkige dromen sjouwde ze een reusachtig kruis over bergen. Lourdes lonkte. Waar Maria veertig jaar eerder aan het zieke kind Bernadette Soubirous was verschenen, kreeg A. M. nu de ziekenzalving. Haar compagnons bespraken haar begrafenis. Maar enkele maanden later stond ze gewoon opnieuw in de grotto.

De pijn dreef haar herhaaldelijk van Luik naar Lourdes. Dokters en naasten maakten zich niet alleen zorgen over haar vele kwalen en ongelukken. Sommige pijnen waren op z’n zachtst gezegd verdacht. Ze tartten de natuurwetten en hadden bevreemdende neveneffecten. Nadat een zwarte kat haar beet, kon zij zichzelf bijvoorbeeld niet langer tot bidden brengen. Naalden en ijzeren nagels, soms zelfs meterlange koperdraden, werkten zich langs haar poriën naar buiten. Dit rook naar hekserij. Of erger: zwavel. In januari 1889 was het haar omgeving dan ook duidelijk dat van een reguliere medische behandeling geen heil zou komen. Familieleden brachten haar naar het nabijgelegen Sougné. De priester daar had een reputatie als gedegen exorcist, en was A. M. ondertussen niet al enkele keren door de hel gegaan? In de door kastanjebomen omzoomde kerk ondernam hij een poging A.M. van haar demonen te verlossen. Maar na de rite verscheen uit het niets een bovennatuurlijk knappe ‘monsieur’, die A. M. aanspoorde om met hem de kerk te verlaten. De trip naar Sougné draaide op niets uit. A. M.’s onwil en ‘schrikkelijke razernij’ tegenover de curé zetten de toon voor vele jaren van gedwongen uitdrijvingen.

Prentbriefkaart van de kerk van Sougné, waar een priester zonder succes A. M. probeerde te bevrijden van de duivel.

Prentbriefkaart van de kerk van Sougné, waar een priester zonder succes A. M. probeerde te bevrijden van de duivel.

Herkenbaarheid

Het verhaal van A. M. en haar duivel is niet uniek. Rond de eeuwwisseling kende België meerdere gevallen van bezetenheid die ontspoorden in jarenlange uitdrijvingen, al dan niet in de relatieve beslotenheid van een klooster. Maar de ‘Notes sur A. M.’, die meer dan vijf jaar aan exorcisme beslaan, van 1889 tot 1894, onderscheiden zich in de rijkdom van het detail (en verschuilt zich daar niet net de duivel?). Ze volgen in grote lijnen eeuwenoude narratieve conventies van duivelse bezetenheid: aanslepende ziektebeelden, groeiende spirituele wanhoop, een afkeer van religieuze objecten, omstaanders die elders hulp zoeken, de duivel die zich steeds nadrukkelijker laat gelden, een bovennatuurlijke showdown. Die conventies vormen een soort cultureel script. Ze kunnen de indruk wekken dat bezetenheid een fenomeen is dat door de tijd heen hetzelfde is gebleven, en exorcisme een ahistorisch ‘sacred theatre’, zoals de historicus van vroegmoderne hekserij Brian Levack de uitvoering van de rite heeft genoemd. Maar de manieren waarop A. M.’s familie haar in de luwte hield, weg van sensatiepers en publieke opinie, en de terughoudendheid van lokale clerus tonen alvast een merkelijk verschil met veel gelijkaardige exorcismecasussen in voorgaande eeuwen. Als het een sacred theatre betrof, was het er wel één achter gesloten deuren.

De herkenbare narratieve beats van A. M.’s bezetenheid roepen ook vragen op over auteurschap en motief. Historische bronnen over het fenomeen, zoals dit notitieboekje, zijn namelijk behoorlijk zeldzaam. Meestal, of het nu om een exorcisme in de zestiende eeuw gaat of in de twintigste eeuw, rest ons een doktersrapport, een verslag van de exorcist in kwestie, soms een gerechtelijk dossier. Maar de ‘Notes’ werden consequent bijgehouden door betrokken kloosterzusters – meervoud, want de aantekeningen veranderen een aantal keer van handschrift en van taal, nu eens in het Frans, dan weer in het Nederlands. In tegenstelling tot de makers van de meeste courante exorcismebronnen lijken de auteurs van de ‘Notes’ niemand te willen overtuigen, noch van de kracht van God en de kerk, noch van de verdiensten of gebreken van het (bij)geloof van de lokale gemeenschap, noch van een vermeende psychiatrische aandoening zoals die tegen het einde van de negentiende eeuw vaak bij gevallen van bezetenheid werd gediagnosticeerd, bijvoorbeeld als ‘religieuze manie’. Ze lezen simpelweg als ogenschijnlijk ongefilterde observaties, een logboek van de strijd tegen Satan. Spirituele oorlogsverslaggeving.

Schriftje waarin verschillende kloosterzusters aantekeningen maakten over het lot van A.M.

Schriftje waarin verschillende kloosterzusters aantekeningen maakten over het lot van A.M.

Spreekbuis

Nog bijzonderder is dat in de ‘Notes’ ook dialogen staan. A. M. komt regelmatig zelf aan het woord over wat ze de ‘bezetting’ van haar lichaam noemt, (zo lijkt het althans).  Maar ze spreekt ook met andermans woorden, ‘als ware zij de Duivel’. Enkele maanden na het mislukte exorcisme in Sougné verkaste A. M. op aandringen van Victor Joseph Doutreloux, de bisschop van Luik, naar Sint-Truiden. Daar klopte ze aan bij de zusters van Liefde, die er een psychiatrisch ziekenhuis runden. Toen kwam er al enige tijd geen vroom woord meer over haar lippen. Ze vloekte en spuugde naar priesters. Op heldere momenten beschreef ze hoe Satan haar soms meevoerde naar andere kamers, donker en vol katten, waar mannen hoeven hadden en haar dwongen haar handtekening in een boek te zetten. De zusters van Liefde namen, ‘met toestemming van Mgr.’, het heft in eigen handen. Dagelijks en vaak meermaals per dag onderwierpen ze de getormenteerde vrouw aan ‘den exorcismus’. Daarmee bedoelden ze onder andere het bidden van het gebed aan de aartsengel Michaël, van de hand van paus Leo XIII, dat van bezeten lichamen als dat van A. M. frontlinies maakte in een kosmische veldslag tussen goed en kwaad. In de uitgeschreven confrontaties tussen de zusters en de duivel gebruikte Satan A. M. als zijn spreekbuis. Eigenlijk gebruikten de zusters A. M. ook als een soort medium om met de duivel te communiceren. Ze gingen ongebruikelijk vaak in gesprek met de duivel. Ze vroegen naar zijn naam – ‘Beëlzebub’, klonk het – en of hij alleen was in A. M.’s lichaam – ‘nog met zeven anderen’, was het antwoord.

Zulke gesprekken waren niet zonder gevaar. Demonologische traktaten en exorcismehandboeken wezen er al eeuwenlang op dat praten met de vader van de leugen weinig zin heeft. Erger: het biedt de duivel de mogelijkheid om de situatie nog wat meer naar zijn hand te zetten. Maandenlang lachte Beëlzebub de zusters uit. Hij vertelde hen dat hij en zijn kompanen naar believen bij A. M. binnen en buiten gaan, en dat hij pas zou vertrekken wanneer ze aan ‘haar contract’ had voldaan. Waarheen? Daarmee hadden de zusters ‘geen affaire’. Bovendien escaleerde de situatie alleen maar bij elke diabolische dialoog. Wanneer het tijd was voor de rite, moest A. M. worden ‘gebonden gelijk de grootste furieuse, met leeren banden rond elk hand, voet en rond het lijf… met een bijzondere sleutel toegedraaid’. Haar fysieke toestand schommelde ondertussen vervaarlijk. Soms ging ze dagen zonder eten of drinken. Men trok bijna dagelijks ijzeren naalden uit haar lichaam.

Het is verleidelijk om de ‘Notes’ als een neutrale weergave van een turbulente periode in het leven van A. M. – én van de Truiense zusters – te lezen. Maar de implicaties van zo’n lezing zijn verregaand: ze gaat bijvoorbeeld uit van de fysieke realiteit van de duivel, en daarmee gepaard ook diens fysieke manifestatie in A. M. in de vorm van allerlei bovennatuurlijke fenomenen. Die realiteit was ook op het einde van de negentiende eeuw absoluut niet algemeen aanvaard, ook niet binnen de kerk. Anderzijds is het net zo onkies om als hedendaagse lezer zélf een diagnose te stellen: leed A. M. bijvoorbeeld aan waanbeelden of neuroses? In al hun directheid plaatsen de ‘Notes’ net een fundamentele onzekerheid, een mysterie, centraal.

In de praktijk

Omdat de duivel zich weerbarstig toonde en elk exorcisme steeds maar een tijdelijk effect leek te hebben, zagen de zusters zich genoodzaakt te improviseren, met gedwongen wijwaterbaden en allerlei religieuze objecten en relieken. Ook dat was op zich niet uitzonderlijk. Hoewel het in se een voorgeschreven rite betrof, legden exorcisten doorgaans enig pragmatisme aan de dag. Wanneer het zelfs dan niet lukte, speelden ze de casus door naar een andere geestelijke. In de praktijk ging een duiveluitdrijving immers steeds over spirituele autoriteit. Wanneer de zusters in 1891 enkele opeenvolgende dagen erg moeizame ‘overlezingen’ achter de rug hadden, deden ze bijvoorbeeld een beroep op niemand anders dan Valentinus Paquay, de Hasseltse franciscaan die al tijdens zijn leven een ‘heilig paterke’ werd genoemd. Met diens reputatie solde zelfs de duivel niet. Paquays aanwezigheid botste op absolute stilte; Satan hield zich gedeisd. Uiteindelijk moesten er toch échte heiligen aan te pas komen. Maria verscheen meermaals in de kamer waar A. M. werd behandeld, en de zusters riepen veelvuldig Sint-Franciscus aan.

Gezien de vele details is het des te opmerkelijker dat de duivel in december 1894 in onduidelijke omstandigheden ophield met A. M. het leven zuur te maken. ‘Verder hebben die buitengewone zaken opgehouden’, staat er plots nogal droog in een nieuw handschrift te lezen op de laatste bladzijde, na enkele pagina’s waarop de aantekeningen steeds sporadischer worden. Bij de laatste uitdrijving waarvan gewag wordt gemaakt, enkele maanden voordien, was Sint-Franciscus verschenen. Hij had ‘met een kruis de duivelen weggejaagd’, schijnbaar definitief. Het abrupte en blijkbaar succesvolle einde van een verhaal dat bijna vijf jaar aansleepte, roept zo mogelijk nog meer vragen op dan de vuile woorden van de duivel en de vreemde voorvallen – spontane kruis- en brandwonden op A. M.’s verzwakte lichaam, relieken die door de lucht zweefden, vuurballen en windhozen buiten de kloostermuren. Wijst het abrupte einde van de notities op een doofpotoperatie? Wie besloot dat het na vijf jaar uitdrijvingen genoeg was? Maar zelfs met een ontknoping die er, althans voor de historicus, eigenlijk geen is, bieden de ‘Notes sur A. M.’ een ongeëvenaarde inkijk in de geleefde, dagelijkse ervaring met de duivel van zowel individu als religieuze gemeenschap op het einde van de negentiende eeuw.

Kristof Smeyers is historicus en is in het kader van het Patria-KADOC onderzoeksmandaat verbonden aan KADOC-KU Leuven.