46, juni 2024

In 1967 publiceerde Walter van den Broeck zijn roman De troonopvolger in eigen beheer. Voor de prijs van 23.500 frank, die hij deels leende bij zijn ouders en deels uit eigen spaargeld ophoestte, liet hij duizend exemplaren drukken bij een plaatselijke drukker. Het publiceren in eigen beheer was niet zijn eerste keuze, maar eerdere manuscripten werden afgewezen door verschillende uitgeverijen. Van den Broeck had er genoeg van en nam het heft in eigen handen. De wat grillige weg naar publicatie en het beginnende schrijverschap van Van den Broeck zijn mooi te volgen in zijn archief.

Op het moment dat De troonopvolger verscheen, was Van den Broeck geen onbekende in de literaire wereld. Hij had al naam gemaakt met het tijdschrift Heibel, dat hij in 1965 samen met Frans Depeuter en Robin Hannelore had opgericht. Heibel zocht op humoristische wijze kritische en polemische discussies over literatuur op. Omdat hij vond dat er misschien toch iets zat in de bewering ‘laat die jonge snaken zelf maar eerst proberen een degelijke roman te schrijven’, alvorens die van anderen te bekritiseren, zoals hij op 3 juli 1967 aan Bernard Kemp schreef, ging hij aan het begin van de jaren zestig ook proza schrijven. De manuscripten van De Naakten en De kleine ruimte zond hij naar verschillende uitgeverijen, waaronder De Bezige Bij, De Galge, Meulenhoff, Ontwikkeling, Heideland en Manteau. Telkens ving hij bot, hoewel de reacties niet helemaal negatief waren. Tony Rombouts, die samen met Bobb Bern het tijdschrift Stuip uitgaf, overwoog om iets van De Naakten te publiceren, maar zette uiteindelijk toch niet door. Op 27 maart 1963 gaf hij Van den Broeck advies in een uitgebreide brief: Je ideeën zijn formidabel Walter gewoon fantasties volkomen surreëel maar let podomme op je stijl en je woordkeuze want dat is soms erbarmelijk […] je moet hard werken en niet denken dat je een boek met ideeën schrijft want je schrijft het met woorden.

Ook bij uitgeverij Manteau werd De Naakten vriendelijk teruggestuurd, met de boodschap dat de uitgeverij overbelast was door de vele manuscripten. De inzending van De kleine ruimte kreeg meer aandacht. De roman gaat over drie personages die op het punt staan volwassen te worden: een 32-jarige vrijgezel die toiletpapier verkoopt en ook kinderboeken schrijft, een schilder die een baby verwacht, en een schrijver die lijdt aan claustrofobie en opstandig is tegen zijn vader, zijn dorp Olen en de daar gevestigde fabriek. Angèle Manteau vroeg eerst om een korte biografie om te weten met wie ze te maken had. Van den Broeck reageerde op 21 september 1964 met een biografie van twee bladzijden, waarin hij inzicht geeft in zijn allerprilste schrijverschap en reflecteert over de vraag waaróm hij schrijft:

Verder kan ik U nog meedelen dat ik in zekere mate aan Claustrofobie lijdt sinds een kloosterzuster mij eens opsloot in een fröbelklas. Dit is heel belangrijk, want sindsdien zijn alle dingen me te eng. Ik heb mezelf gezond gehouden met schrijven.

Portretfoto van Walter van den Broeck als jongeman, met een plant in een pot in de handen.

Foto van Walter van den Broeck. Privécollectie

In dit biografietje worden meteen ook autobiografische elementen uit De kleine ruimte (de claustrofobie van de schrijver en de verhouding tot zijn geboortedorp) duidelijk. Het schrijven van Van den Broeck startte op z’n zestiende met een veertigtal ‘meestal stompzinnige’ verhalen die verschenen in een plaatselijk weekblad. Twee van de drie leesrapporten, te vinden in het archief van Manteau, waren zeer positief. Lector Theo Oegema van der Wal was absoluut vóór publicatie: ‘Dat is wel wat. Dat is zelfs meer dan wat. Dat is een ontdekking […]. Het beste, verreweg het beste, wat we van werkelijk jonge lui de laatste vijf jaren hebben gelezen.’ Een ander rapport was terughoudender, oordeelde dat het middenstuk ‘een ontzettend gedaas’ was en vond dat het Van den Broeck aan maturiteit ontbrak. Angèle Manteau wees het manuscript af, maar hield de deur open. Op 30 november 1964 schreef ze dat indien Van den Broeck bereid was het boek te herwerken, het manuscript weer in overweging kon worden genomen. Vooral de ‘taal’, ook aangehaald in de leesrapporten, vond ze een groot probleem. Aangezien de uitgeverij veel in Nederland verkocht, kon ze zich geen opmerkingen over taal veroorloven. Van den Broeck werd vooral aangeraden zelf kritisch te blijven.

Hoewel ook zijn herwerkte tekst niet voor publicatie vatbaar werd geacht, stopte Van den Broeck niet met schrijven. Zijn volgende werk, De troonopvolger, was klaar in 1967. Op symbolische en humoristische wijze beschrijft deze roman de machtsstrijd tussen vader en zoon. De ik-figuur en zijn broer Alex pesten hun vader en vermoorden hem uiteindelijk. De vader wordt beschreven als ‘Hij-die-onkwetsbaar-is’ of ‘Hij-die-in-de-Toren-zit’, doelend op de hoge toren die de vader bouwde en waarin hij zich terugtrok. Een cruciale scène in het werk is die waarin het gezin het hart van de vader opeet:

Moeder zet een bord met een dampende portie vaderhart op de richel van het keukenraampje. Alex komt met drie borden naar buiten, geeft mij er een, en sleft met de twee andere tot bij Duke. Hij roept de hond uit zijn hok, zet één bord neer, en kijkt niet toe hoe gretig de steeds jonger wordende bastaard de hete brokken opslokt. Met zijn bord voor zich uit, komt Alex weer naast me staan. Hij begint pas te eten als hij mij een mals stukje vlees naar de mond ziet brengen.

Cover van de oorspronkelijke uitgave in eigen beheer van Walter van den Broecks roman De troonopvolger (1967).

Walter van den Broeck, De troonopvolger. Eigen beheer, Turnhout, 1967

Wanneer de ik-figuur zelf een gezin sticht en er een zoontje wordt geboren, herhaalt de geschiedenis zich en keert de zoon zich tegen zijn vader. Op de cover van het boek stond een foto van een kind op een troon.

Van den Broeck zond De troonopvolger niet meer naar uitgeverijen. In een brief van 8 januari 1970, gericht aan schrijver Jan Emiel Daele, die samen met enkele andere auteurs werkte aan een studie over de uitgeverijsystemen, reflecteerde hij over het proces van publiceren in eigen beheer, van het drukken tot de verspreiding. De eerste vijftig exemplaren vlogen de deur uit, want hij had een stapeltje boeken in de auto liggen en iedereen die hij tegenkwam, kreeg een exemplaar gepresenteerd voor de prijs van 75 Belgische frank. Ook enkele lokale boekhandels kochten een beperkt aantal exemplaren. Voor de publiciteit had hij één gestencild foldertje en hij zond het boek naar verschillende critici. De correspondentie met Bernard Kemp, Paul de Wispelaere, Hubert Lampo en Piet van Aken toont soms een uitgebreide uitwisseling over het werk. De reden voor publiceren in eigen beheer komt steeds ter sprake. Aan Piet van Aken verduidelijkte hij op 19 juni 1967 dat de opmerkingen over zijn taal niet goed waren gevallen:

Net alsof men tot een componist zou zeggen: ‘Jongen, je lied is fantastisch, maar de noten moet je veranderen want ze liggen niet bepaald in het oor van onze Patagonische luisteraars, en de woorden moet je voor de gemakkelijkheid maar in het Esperanto vertalen.’

Piet van Aken zorgde uiteindelijk voor een recensie in De Werker van 11 november 1967 met de titel: ‘Een uitstekend debuut’. In de radio-uitzending De zeven kunsten van maandag 30 oktober 1967 besloot hij ook:

Met De troonopvolger vervoegt Walter van den Broeck zich bij Werner Pauwels, Daniel van Hecke, Willy Spillebeen en Bert Brouwers, die na een gelukt debuut een zware wissel op de toekomst hebben in te wisselen.

Ook in de vierde jaargang van het tijdschrift Yang uit 1967 was er aandacht voor het werk. Julien Vangansbeke noemde Van den Broeck een ‘authentiek talent, dat met De troonopvolger getuigt van een enorme potentie aan verbeelding’. Hij vond het onbegrijpelijk dat Van den Broeck nog niet bij een Vlaamse uitgeverij binnen was geraakt. Het tijdschrift publiceerde ook een stuk uit een brief van Van den Broeck, waarin hij nog eens liet weten dat deze manier van debuteren de enige was, want hij wilde zich niet ‘door een paar stompzinnige verhollandsers laten prostitueren’.

Pagina uit het verbeterde typoscript van De troonopvolger (1967).

Pagina uit het verbeterde typoscript van De troonopvolger, 1967

Op 4 augustus 1967 zond Van den Broeck De troonopvolger opnieuw naar uitgeverijen, waaronder Manteau, met de vraag om het werk toch te publiceren omdat een herdruk in eigen beheer niet betaalbaar was: ‘Het manuscript van deze roman werd door geen enkele uitgeverij geweigerd, omdat ik het eenvoudig aan geen enkele uitgeverij ter inzage heb gezonden.’ Op het briefje staat in groene inkt de eerste reactie van Manteau: ‘We hebben al iets van die man gehad en lang hier bewaard.’ De volgende reactie kwam van Julien Weverbergh, medewerker bij uitgeverij Manteau, die liet weten dat de aanbieding hem eerst ‘korzelig’ maakte, maar na lectuur kon hij het toch appreciëren. In de brief staan woorden als ‘uitstekend’ en ‘origineel’, maar er waren ook bezwaren. Hoe het proces tot publicatie verder ging, is te lezen in de correspondentie tussen Weverbergh en Van den Broeck.

In de brieven aan Piet van Aken rapporteert hij parallel over het proces. Op 5 februari 1968 schreef hij bijvoorbeeld:

Zoals ik u reeds geschreven heb, is Manteau bereid mij te ‘lanceren’ of hoe noem je dat. […] Weverbergh ontvangt mij hartelijk zegt poly-interpretabele dingen, is gul. Manteau gaat je boekje niet uitgeven maar wel opnemen in zijn fonds. M.a.w. wij wachten op een tweede boek voor de reeks ‘De 5de meridiaan’ en ‘De Troonopvolger’ zal dan achteraf herdrukt worden. Mij allemaal goed.

Op dat moment had Van den Broeck al Lang weekend in zijn bureaulade liggen. Dat verscheen in 1967 bij Manteau en betekende de doorbraak van Walter van den Broeck. In 1973 werd De troonopvolger zoals beloofd opnieuw gepubliceerd bij Manteau. Bij het verschijnen van Lang weekend was er nieuwe aandacht voor dat eerdere werk. Paul de Wispelaere, die in 1967 de vraag van Van den Broeck had gekregen om een recensie te schrijven maar daar toen niet op was ingegaan, vroeg zich in Vaderland van 30 augustus 1969 dan ook af waarom hij het bij het verschijnen niet had gerecenseerd. Het boek was al die tijd scherp in zijn geheugen blijven hangen.

Johanna Ferket is literatuurhistoricus en in het Letterenhuis verantwoordelijk voor collectievorming, aanwinsten en onderzoek.

Blijf je graag op de hoogte van Zuurvrij?