2022 nr. 1

Mag ik iets zeggen?

Kent u Boerken Kevin nog? Boerken Kevin was zo’n 25 jaar geleden een figuur in een reeks cartoons van Hugo Matthysen. Daarin had het boertje altijd een zogezegde volkswijsheid paraat: “Wie zijn kruis krabt met een riek, eindigt vaak in de kliniek.”

Niet zelden waren die uitspraken vrouwonvriendelijk, wat het personage van de onbehouwen boer nog meer kleur gaf: “Als het wijf komkommers plukt, zingt ze helder en verrukt.” Boerken Kevin werd een hype bij de lezers van HUMO. Ze begonnen zelf varianten van de cartoon in te sturen: “Wat baten aars en bil, als het wijf langs voren wil.” Gaandeweg dook zelfs nog een andere variant op: Boerka Kevin. Na een jaar of vijf was de hype weer gaan liggen. Iedereen goed gelachen, verder geen probleem.

Ik heb het gevoel dat Boerken Kevin vandaag zijn uitspraken niet meer zou kunnen doen, ook al zijn ze ironisch bedoeld. Moeten we dan meer gaan nadenken bij wat we zeggen, ook op een scène? Ja. Is dat erg? Soms. Maar vooral is het een interessante uitdaging om weer anders te kijken.

Dominic Depreeuw

Dominic Depreeuw

Sinds Boerken Kevin zijn er zowat drie grote verschuivingen geweest in onze maatschappij: een gunstige, een gevaarlijke en een treurige. 

De treurige is wat in Nederland ‘vertrutting’ is gaan heten: het gevoel dat op steeds meer plekken steeds minder mag. De regeldruk neemt toe. Wat daarachter lijkt te zitten, is dat we blijkbaar niet meer om willen gaan met wat moeilijk is in het leven, zoals gevaar of tegenslag. Denk bijvoorbeeld aan ‘curling ouders’, die zoals in de gelijknamige sport alle problemen op het pad van hun kinderen weg bezemen. Een slechte toets? Ik zal eens met de juffrouw praten. Het leven mag geen rafelrandjes meer hebben. Alles moet smooth en happy zijn.

Een kreupele werd gaandeweg een gehandicapte en is nu een minder mobiele. Een mongooltje werd een mentaal gehandicapte, later iemand met een beperking. Zijn die mensen daardoor veranderd? Zijn hun problemen opgelost? Het klinkt nu wat aardiger. Het is een schattig probleempje geworden en de nieuwe terminologie is kenmerkend voor wat we er eigenlijk het liefste mee doen: er in een bochtje omheen lopen.

Dit is de vertrutting waar je volgens mij op de scène flink tegenaan mag stampen. Die mensen die niet uit hun gemakkelijke comfort gehaald willen worden, die mag je wel eens van hun kussentje schudden.

Gevaarlijk wordt het wanneer mensen die hun zin niet krijgen, gaan roepen dat het niet eerlijk is. “Deze regering is niet democratisch”, “De verkiezingen zijn gestolen”, “Vanuit mijn geloof verbied ik jou om bepaalde zaken te zeggen.” Gifspuwerij zonder fundament. Bij deze mensen leiden tegenargumenten tot agressie. Hier kan je alleen maar hopen dat de beschaving toch nog voortschrijdt.

En dan is er nog de gunstige evolutie, waarbij mensen die recht van spreken hebben, steeds meer van zich laten horen: vrouwen, holebi’s, mensen van kleur…  De problemen die zij aankaarten zijn terecht, maar helaas komt het nauwelijks tot een echt gesprek, omdat de slinger te sterk van de ene kant naar de andere zwiept.

Aan het ene uiteinde van de slinger heb je de ‘aanklagers’, die, hoewel hun vraag terecht is, soms te hard vragen naar bekentenissen van schuld. Aan het andere heb je de mensen die die niks hebben met die schuld en vinden dat ze zich nergens over te verantwoorden hebben. Daartussen bengelen mensen die in de war zijn, omdat plots in vraag wordt gesteld wat vroeger normaal was en waar voor hen geen kwaad achter schuilde.

Geef het tijd. Zet vooral niet de hakken in zand, drijf de discussie niet op de spits. De vraag is terecht, maar verwacht niet dat de oplossing er onmiddellijk is. Zoek de schuld niet bij gewone mensen. Het enige waar je in deze als gewone mens schuldig aan kan zijn, is dat je niet bereid bent te luisteren.

Hebt ge altijd lange tenen, moet ge nog karakter trainen.

Wie als theatermaker wél kan luisteren, begrijpt vanzelf waarom clichématige weergaven van bevolkingsgroepen niet meer van de tijd zijn. Misschien is de grote vergissing die we op de scène (en in het leven) kunnen maken, dat we in de val trappen van “ik bedoel het toch niet verkeerd, dus dan is het niet verkeerd.”

Tegelijk hoop ik wel dat we goedmoedig mopjes met elkaar kunnen blijven maken. Dat wanneer ik bijvoorbeeld zeg: “zwijgen wijf en de keuken in!” dit extreem genoeg is zodat uit zo’n opmerking blijkt dat ik juist tegen dat soort vrouwonvriendelijke denkbeelden ben en met dat soort grappen wil aantonen hoe lelijk en lachwekkend zoiets is. Ironie, weet u nog?

Het blijft een evenwichtsoefening. Deze tijd is een oproep tot gevoeligheid, tot luisteren naar elkaar en oog hebben voor historische brutaliteiten: van handen afhakken tot zogezegd onschuldig in de billen knijpen. Tegelijk is het belangrijk om niet overgevoelig te worden. De wereld zal nooit een volledig roze wolk voor je zijn. Een beetje incasseringsvermogen hoort erbij.

Als ik Boerken Kevin was, zou ik zeggen “Hebt ge altijd lange tenen, moet ge nog karakter trainen.”